1) a. Nee, want toen nam Koning alle besluiten persoonlijk en de minister moest dit
maar uitvoeren. De ministers waren namelijk alleen naar de koning verantwoordelijk.
b. Ja, want de ministers waren nu medeverantwoordelijk voor de beslissingen van de
Koning. Zij moesten nu extra oplettend zijn, want als er iets verkeerds was kon het
parlement strafrechtelijk gezien actie ondernemen.
c. De Koning kreeg minder macht, en de ministers meer. Het parlement had toen
meer de bevoegdheid om te controleren.
2) a. Onderdeel van de regering omdat hierin de uiteenzetting van het door de regering
uit te voeren beleid werd besproken. Art.65 JO art. 42 lid 1
b. Ja→ art. 42 lid 2→ altijd in zijn ambt, in privé mits openbaar belang schendt.
c. Ja, want de Koning is onschendbaar en daardoor kan de Minister-president ter
verantwoording worden geroepen. Het openbaar belang wordt hiermee geraakt. Alles wat de
Koning zegt, moet de minister ook. Beroepen op de eenheid van de Kroon→ er zijn
meningsverschillen geweest, maar mag niet naar buiten komen.
3) a. → “eigen” handelen als minister (geen privéleven→ alleen als ambt)
→ Handelen van ambtenaren (art. 44 lid 1)
→ handelen van de (onschendbare) Koning (art. 42 lid 2)
→ handelen van zijn staatssecretaris (art. 46 lid 2)
→ medeverantwoordelijk voor besluiten ministerraad (VII.4 art 12)
b. Vertrouwensregel: het vertrouwen van het parlement wordt geacht aanwezig te
zijn tot het tegendeel blijkt.
Gevolg: zodra duidelijk is dat het vertrouwen in een minister of staatssecretaris (of het
kabinet) niet langer aanwezig is ontstaat voor hen een plicht om ontslag te bieden.
Een minister of kabinet dient heen te gaan wanneer blijkt dat er geen vertrouwen meer
is bij (een meerderheid van) het parlement→ kan op elke grond
c. Mag op elk grond, maar ministeriële verantwoordelijkheden hoeft bij het opzeggen
van vertrouwen niet in het geding te zijn
d. Er is verwantschap:
Ministeriële verantwoordelijkheid kan leiden tot in werking stellen van vertrouwensregel;
Beiden gaan over de verhouding tussen Staten-Generaal enerzijds en Regering
(verantwoordelijkheid) en het kabinet (vertrouwen) anderzijds; (en over de doorslaggevende
rol van het gekozen parlement. )
Er is verschil: vertrouwensregel kan in werking gesteld zonder dat de ministeriële
verantwoordelijkheid in beeld is geklommen;
Ministeriële verantwoordelijkheid kan in het geding zijn zonder dat de vertrouwensregel in
beeld komt
art 64. jo. art 47
4) a. Het proces waarbij, na een TK verkiezing of val van een kabinet, gepoogd wordt
een nieuw kabinet te vormen.
- Doel→ steun van een meerderheid in de TK en gezamenlijk beleid vormen
→ Door ons kiesstelsel is er vaak geen absolute meerderheid
→ Daarom moet er een coalitie worden gevormd. ART. 11.1 RvOTK
b. (VII6, art. 11.1-11.3) De Tweede Kamer benoemt een of meer informateurs )lid 1→
een onderzoek instellen naar mogelijkheden voor een te vormen kabinet). Tweede Kamer
benoemt een of meer formateurs (lid 1 en 2)--> een kabinet vormen (meestal door
toekomstige MP) minister-president (formateur)en de verkenner (onderzoekt welke coalities
mogelijk zijn en brengt daarvan verslag uit in de Tweede Kamer.
maar uitvoeren. De ministers waren namelijk alleen naar de koning verantwoordelijk.
b. Ja, want de ministers waren nu medeverantwoordelijk voor de beslissingen van de
Koning. Zij moesten nu extra oplettend zijn, want als er iets verkeerds was kon het
parlement strafrechtelijk gezien actie ondernemen.
c. De Koning kreeg minder macht, en de ministers meer. Het parlement had toen
meer de bevoegdheid om te controleren.
2) a. Onderdeel van de regering omdat hierin de uiteenzetting van het door de regering
uit te voeren beleid werd besproken. Art.65 JO art. 42 lid 1
b. Ja→ art. 42 lid 2→ altijd in zijn ambt, in privé mits openbaar belang schendt.
c. Ja, want de Koning is onschendbaar en daardoor kan de Minister-president ter
verantwoording worden geroepen. Het openbaar belang wordt hiermee geraakt. Alles wat de
Koning zegt, moet de minister ook. Beroepen op de eenheid van de Kroon→ er zijn
meningsverschillen geweest, maar mag niet naar buiten komen.
3) a. → “eigen” handelen als minister (geen privéleven→ alleen als ambt)
→ Handelen van ambtenaren (art. 44 lid 1)
→ handelen van de (onschendbare) Koning (art. 42 lid 2)
→ handelen van zijn staatssecretaris (art. 46 lid 2)
→ medeverantwoordelijk voor besluiten ministerraad (VII.4 art 12)
b. Vertrouwensregel: het vertrouwen van het parlement wordt geacht aanwezig te
zijn tot het tegendeel blijkt.
Gevolg: zodra duidelijk is dat het vertrouwen in een minister of staatssecretaris (of het
kabinet) niet langer aanwezig is ontstaat voor hen een plicht om ontslag te bieden.
Een minister of kabinet dient heen te gaan wanneer blijkt dat er geen vertrouwen meer
is bij (een meerderheid van) het parlement→ kan op elke grond
c. Mag op elk grond, maar ministeriële verantwoordelijkheden hoeft bij het opzeggen
van vertrouwen niet in het geding te zijn
d. Er is verwantschap:
Ministeriële verantwoordelijkheid kan leiden tot in werking stellen van vertrouwensregel;
Beiden gaan over de verhouding tussen Staten-Generaal enerzijds en Regering
(verantwoordelijkheid) en het kabinet (vertrouwen) anderzijds; (en over de doorslaggevende
rol van het gekozen parlement. )
Er is verschil: vertrouwensregel kan in werking gesteld zonder dat de ministeriële
verantwoordelijkheid in beeld is geklommen;
Ministeriële verantwoordelijkheid kan in het geding zijn zonder dat de vertrouwensregel in
beeld komt
art 64. jo. art 47
4) a. Het proces waarbij, na een TK verkiezing of val van een kabinet, gepoogd wordt
een nieuw kabinet te vormen.
- Doel→ steun van een meerderheid in de TK en gezamenlijk beleid vormen
→ Door ons kiesstelsel is er vaak geen absolute meerderheid
→ Daarom moet er een coalitie worden gevormd. ART. 11.1 RvOTK
b. (VII6, art. 11.1-11.3) De Tweede Kamer benoemt een of meer informateurs )lid 1→
een onderzoek instellen naar mogelijkheden voor een te vormen kabinet). Tweede Kamer
benoemt een of meer formateurs (lid 1 en 2)--> een kabinet vormen (meestal door
toekomstige MP) minister-president (formateur)en de verkenner (onderzoekt welke coalities
mogelijk zijn en brengt daarvan verslag uit in de Tweede Kamer.