Hoofdstuk 2 leren als basis voor gedragsverandering
Gedragsverandering: het aanleren en leren aanpassen van gedrag
Leren: een aanpassingsproces aan de omgeving, waarbij een ervaring leidt
tot ander gedrag in de toekomst hoeft niet persé positief te zijn, kan ook
een verslechtering zijn
Klassieke conditionering: leerproces waarbij een neutrale stimulus vlak
voor of tegelijkertijd met een ongeconditioneerde stimulus wordt
aangeboden
Neutrale stimulus: een prikkel die in eerste instantie geen respons uitlokt
Ongeconditioneerde stimulus: een prikkel die een bepaalde reactie
oproept
- Neutrale stimulus koppelen aan ongeconditioneerde stimulus,
waarna reactie op de neutrale stimulus hetzelfde wordt als reactie
op de ongeconditioneerde stimulus zodra deze koppeling tot
stand is gebracht, iets wat vaak automatisch (zonder intentie en
bewustzijn) gebeurt, wordt de neutrale stimulus een
geconditioneerde stimulus genoemd
Geconditioneerde stimulus: neutrale stimulus die gekoppeld wordt aan de
ongeconditioneerde stimulus, waarna de reactie op de neutrale stimulus
hetzelfde wordt als de reactie op de ongeconditioneerde stimulus
- Geconditioneerde reacties kunnen ook weer geconditioneerd worden
(in de vorm van uitgaan/weggaan)
Extinctie (uitdoving): het aanbieden van de geconditioneerde stimulus
zonder de bijbehorende ongeconditioneerde stimulus totdat de
conditionering vermindert of verdwijnt
Copy cats: bedrijven die producten op de markt brengen die expres op een
bepaald merk moeten lijken
Generalisatie: proces waarbij er op een nieuwe stimulus hetzelfde wordt
gereageerd als op een stimulus die erop lijkt
Discriminatie: proces waarbij geleerd wordt onderscheid te maken tussen
twee stimuli die op elkaar lijken
Operante conditionering: nieuw gedrag dat ontstaat door
beloning/bekrachtiging en straf
Operant gedrag: spontaan optredend gedrag
, Bekrachtiging: een positieve consequentie van gedrag
Bestraffing: een negatieve consequentie van gedrag
Negatieve straf: een verwachte beloning voor gedrag die uitblijft
Positieve bekrachtiging: een beloning die gegeven wordt voor gedrag
Negatieve bekrachtiging: een verwachte straf voor gedrag die achterwege
blijft (of weggenomen wordt)
Positieve straf: een straf die gegeven wordt voor gedrag
Beloning Straf
Toedienen Positieve bekrachtiging Positieve straf
Wegnemen Negatieve straf Negatieve
bekrachtiging
Shaping: het prijzen van gedrag dat in de richting komt van gewenst
gedrag, waarop je vervolgens verder kunt voorbouwen
Partiële bekrachtiging: een beloning die soms maar niet altijd meer volgt
op goed gedrag
- Partiële bekrachtiging kan ook tot negatief gedrag leiden ( een kind
gaat zeuren om snoep, krijgt het soms wel, dus hij blijft zeuren)
Sociaal (observationeel) leren: leren door imitatie van gedrag
Motionese: leergedrag waarbij ouders of verzorgers hun kinderen op
overduidelijke wijze voordoen hoe iets moet
Spiegelneuronen (mirror neurons): clusters neuronen die zowel actief zijn
bij het uitvoeren van gedrag, als bij het zien van gedrag dat door een
ander uitgevoerd wordt (basis sociaal leren)
Emotiebesmetting (emotion contagion): het onbewust overnemen van
emoties van anderen
Factoren die een rol spelen bij het bewust en intentioneel imiteren van
gedrag:
1. Het inschatten van de opbrengsten van het gedrag
‘Wat levert het gedrag mij op?’
2. De haalbaarheid van het gedrag (kenmerken persoon die
waarneemt)
‘Is het realistisch dat ik het ook kan?’
Ingeschatte zelfeffectiviteit/waargenomen gedragscontrole: de ingeschatte
haalbaarheid van een handeling of taak