Jurisprudentie sanctierecht
Jurisprudentie sanctierecht
Week 1
HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9407 (rechter straft bewust zwaarder dan
mogelijk)
Artikel 63 Sr is bedoeld om onbeperkte en ongerechtvaardigde cumulatie van mogelijk op te
leggen straffen tegen te gaan en biedt de verdachte bescherming wanneer feiten niet
gelijktijdig worden behandeld, terwijl dit wel had gekund. Dit systeem hoort bij een
evenredige berechting waarbij met de belangen van de verdachte rekening wordt gehouden.
Echter, indien de feiten pas later aan het licht komen door bijvoorbeeld nieuwe
opsporingstechnieken, en het Openbaar Ministerie daardoor geen keuze had om de zaken
gelijktijdig aan te brengen, kan strikte toepassing van artikel 63 Sr leiden tot een onevenredige
en voor de samenleving niet uitlegbare strafoplegging. In een dergelijk geval is de rechter niet
zonder meer gebonden aan artikel 63 Sr.
HR 11 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2295 (rechter straft onbewust etc....)
Een rechter mag bij de straftoemeting afwijken van de LOVS-oriëntatiepunten als hij dit
voldoende motiveert. Strafverzwarende factoren, zoals doelgerichte samenwerking en
aanzienlijke schade, kunnen een gevangenisstraf rechtvaardigen in plaats van een taakstraf.
EHRM 12 oktober 2018, nr. 35553/12, 36678/12 en 36711/12, S., V. en A t. Denemarken
te raadplegen op (hudoc.echr.coe.int)
In Denemarken zijn personen opgepakt omdat ze eerder in verband zijn gebracht met
hooligangeweld. Om dit te voorkomen zijn deze personen voor dat een voetbalwedstrijd
begon, vastgezet. Is preventieve vrijheidsbeneming in strijd met art. 5 lid 1 EVRM? Indien er
een zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden, is preventieve vrijheidsbeneming
niet in strijd met art. 5 lid 1 sub c EVRM.
HR 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:114.
Deze zaak betreft een strafrechtelijke veroordeling van een verdachte die samen met anderen
heeft ingebroken in een bedrijfspand en een sigarettenautomaat heeft gestolen. De verdachte
is door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien
weken, waarvan vier weken voorwaardelijk. De verdachte heeft samen met mededaders
ingebroken in een bedrijfspand en een sigarettenautomaat gestolen. De verdachte heeft geen
eerdere veroordelingen voor vermogensdelicten.
Het Hof heeft aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten, die voor een inbraak
in een bedrijfspand een taakstraf van 120 uur als uitgangspunt nemen.
De feitenrechter is niet gebonden aan de LOVS-oriëntatiepunten en de uitleg hiervan
is aan hem voorbehouden.
Het Hof heeft de omstandigheden dat de verdachte samen met anderen doelgericht de
inbraak heeft gepleegd en dat daarbij aanzienlijke schade is ontstaan, als
strafvermeerderende factoren gezien.
De Hoge Raad oordeelt dat de uitleg en toepassing van de LOVS-oriëntatiepunten
door het Hof begrijpelijk en toereikend gemotiveerd is.
Het oordeel van het Hof dat een gevangenisstraf passend en geboden is, mede gelet op de
strafvermeerderende factoren, is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. De Hoge Raad
bevestigt de veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf van tien weken, waarvan
1
, Jurisprudentie sanctierecht
vier weken voorwaardelijk, voor de inbraak in een bedrijfspand. De strafoplegging is in lijn
met de LOVS-oriëntatiepunten en de specifieke omstandigheden van de zaak.
Week 2
Constancia v. the Netherlands, EHRM 26 maart 2015 (link)
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in deze zaak bevestigd dat
voor een rechtmatige vrijheidsontneming van een geesteszieke moet worden voldaan aan
bepaalde minimumvoorwaarden. Deze voorwaarden omvatten onder andere dat de psychische
stoornis moet zijn vastgesteld op basis van objectieve medische deskundigheid en dat de
stoornis ernstig genoeg moet zijn om vrijheidsontneming te rechtvaardigen.
Daarnaast heeft het EHRM in deze zaak aanvaard dat gebruik kan worden gemaakt van niet-
actuele medische informatie over de geestesgesteldheid van een verdachte, bijvoorbeeld in het
geval van een weigerende observandus. Dit betekent dat zelfs als de medische informatie niet
recent is, deze toch kan worden gebruikt om de geestelijke toestand van de verdachte te
beoordelen, mits deze informatie nog steeds relevant en betrouwbaar is.
Deze zaak is belangrijk omdat het de voorwaarden verduidelijkt waaronder een persoon met
een psychische stoornis rechtmatig van zijn vrijheid kan worden beroofd, en het gebruik van
niet-actuele medische informatie in dergelijke gevallen toestaat, wat van invloed kan zijn op
de praktijk van forensische observatie en detentie in Nederland.
HR Thijs H., ECLI:NL:HR:2023:1295
Het idee dat het hof altijd precies moet vaststellen wat voor soort psychische stoornis er is en
hoe die stoornis de gedachten en het gedrag van de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde
feiten heeft beïnvloed, wordt niet ondersteund door het recht. Het oordeel van het hof dat
“een mogelijke ontoerekeningsvatbaarheid niet uitsluit dat er sprake kan zijn geweest van
voorbedachte raad”, is juridisch juist.
Ad 2. De Hoge Raad geeft een beoordelingskader voor ontoerekenbaarheid zoals bedoeld in
artikel 39 Sr en maakt daarbij algemene opmerkingen. Het is aan de rechter die over de feiten
oordeelt om vast te stellen of de verdachte op het moment van het ten laste gelegde feit een
psychische stoornis had in de zin van de artikelen 37a en 39 Sr (zie ook HR 2008:BC1311).
De rechter heeft hierin een eigen verantwoordelijkheid en is niet verplicht het advies van
deskundigen te volgen. Of de stoornis wel of niet in de DSM-classificatie staat, is niet
doorslaggevend (zie ook HR 2012:BY5355).
De rechter kan op grond van artikel 39 Sr beslissen dat het ten laste gelegde feit niet aan de
verdachte kan worden toegerekend als de verdachte op dat moment een psychische stoornis
had en door die stoornis niet kon begrijpen dat het feit verboden was of niet in staat was
om zich naar dat begrip te gedragen. Gedragingen van de verdachte die plaatsvonden vóór
het optreden van de stoornis zoals bedoeld in artikel 39 Sr, kunnen het oordeel dat het feit niet
kan worden toegerekend in de weg staan. Alleen in bijzondere gevallen kan daar een
uitzondering op worden gemaakt (zie ook HR 1981:AC0902 en HR 2008:BC3797).
Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte op het moment van het plegen van de strafbare
feiten een psychische stoornis had, zonder daarbij precies te benoemen welke stoornis dat
was, en dat de feiten in direct verband staan met die stoornis. Bij de vraag of de bewezen
verklaarde feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend, heeft het hof gekeken naar
wat daarover is gezegd door het Openbaar Ministerie en de verdediging, en naar de rapporten
van gedragsdeskundigen. Het hof heeft op basis daarvan geconcludeerd dat de verdachte tot
2
Jurisprudentie sanctierecht
Week 1
HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9407 (rechter straft bewust zwaarder dan
mogelijk)
Artikel 63 Sr is bedoeld om onbeperkte en ongerechtvaardigde cumulatie van mogelijk op te
leggen straffen tegen te gaan en biedt de verdachte bescherming wanneer feiten niet
gelijktijdig worden behandeld, terwijl dit wel had gekund. Dit systeem hoort bij een
evenredige berechting waarbij met de belangen van de verdachte rekening wordt gehouden.
Echter, indien de feiten pas later aan het licht komen door bijvoorbeeld nieuwe
opsporingstechnieken, en het Openbaar Ministerie daardoor geen keuze had om de zaken
gelijktijdig aan te brengen, kan strikte toepassing van artikel 63 Sr leiden tot een onevenredige
en voor de samenleving niet uitlegbare strafoplegging. In een dergelijk geval is de rechter niet
zonder meer gebonden aan artikel 63 Sr.
HR 11 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2295 (rechter straft onbewust etc....)
Een rechter mag bij de straftoemeting afwijken van de LOVS-oriëntatiepunten als hij dit
voldoende motiveert. Strafverzwarende factoren, zoals doelgerichte samenwerking en
aanzienlijke schade, kunnen een gevangenisstraf rechtvaardigen in plaats van een taakstraf.
EHRM 12 oktober 2018, nr. 35553/12, 36678/12 en 36711/12, S., V. en A t. Denemarken
te raadplegen op (hudoc.echr.coe.int)
In Denemarken zijn personen opgepakt omdat ze eerder in verband zijn gebracht met
hooligangeweld. Om dit te voorkomen zijn deze personen voor dat een voetbalwedstrijd
begon, vastgezet. Is preventieve vrijheidsbeneming in strijd met art. 5 lid 1 EVRM? Indien er
een zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden, is preventieve vrijheidsbeneming
niet in strijd met art. 5 lid 1 sub c EVRM.
HR 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:114.
Deze zaak betreft een strafrechtelijke veroordeling van een verdachte die samen met anderen
heeft ingebroken in een bedrijfspand en een sigarettenautomaat heeft gestolen. De verdachte
is door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien
weken, waarvan vier weken voorwaardelijk. De verdachte heeft samen met mededaders
ingebroken in een bedrijfspand en een sigarettenautomaat gestolen. De verdachte heeft geen
eerdere veroordelingen voor vermogensdelicten.
Het Hof heeft aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten, die voor een inbraak
in een bedrijfspand een taakstraf van 120 uur als uitgangspunt nemen.
De feitenrechter is niet gebonden aan de LOVS-oriëntatiepunten en de uitleg hiervan
is aan hem voorbehouden.
Het Hof heeft de omstandigheden dat de verdachte samen met anderen doelgericht de
inbraak heeft gepleegd en dat daarbij aanzienlijke schade is ontstaan, als
strafvermeerderende factoren gezien.
De Hoge Raad oordeelt dat de uitleg en toepassing van de LOVS-oriëntatiepunten
door het Hof begrijpelijk en toereikend gemotiveerd is.
Het oordeel van het Hof dat een gevangenisstraf passend en geboden is, mede gelet op de
strafvermeerderende factoren, is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. De Hoge Raad
bevestigt de veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf van tien weken, waarvan
1
, Jurisprudentie sanctierecht
vier weken voorwaardelijk, voor de inbraak in een bedrijfspand. De strafoplegging is in lijn
met de LOVS-oriëntatiepunten en de specifieke omstandigheden van de zaak.
Week 2
Constancia v. the Netherlands, EHRM 26 maart 2015 (link)
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in deze zaak bevestigd dat
voor een rechtmatige vrijheidsontneming van een geesteszieke moet worden voldaan aan
bepaalde minimumvoorwaarden. Deze voorwaarden omvatten onder andere dat de psychische
stoornis moet zijn vastgesteld op basis van objectieve medische deskundigheid en dat de
stoornis ernstig genoeg moet zijn om vrijheidsontneming te rechtvaardigen.
Daarnaast heeft het EHRM in deze zaak aanvaard dat gebruik kan worden gemaakt van niet-
actuele medische informatie over de geestesgesteldheid van een verdachte, bijvoorbeeld in het
geval van een weigerende observandus. Dit betekent dat zelfs als de medische informatie niet
recent is, deze toch kan worden gebruikt om de geestelijke toestand van de verdachte te
beoordelen, mits deze informatie nog steeds relevant en betrouwbaar is.
Deze zaak is belangrijk omdat het de voorwaarden verduidelijkt waaronder een persoon met
een psychische stoornis rechtmatig van zijn vrijheid kan worden beroofd, en het gebruik van
niet-actuele medische informatie in dergelijke gevallen toestaat, wat van invloed kan zijn op
de praktijk van forensische observatie en detentie in Nederland.
HR Thijs H., ECLI:NL:HR:2023:1295
Het idee dat het hof altijd precies moet vaststellen wat voor soort psychische stoornis er is en
hoe die stoornis de gedachten en het gedrag van de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde
feiten heeft beïnvloed, wordt niet ondersteund door het recht. Het oordeel van het hof dat
“een mogelijke ontoerekeningsvatbaarheid niet uitsluit dat er sprake kan zijn geweest van
voorbedachte raad”, is juridisch juist.
Ad 2. De Hoge Raad geeft een beoordelingskader voor ontoerekenbaarheid zoals bedoeld in
artikel 39 Sr en maakt daarbij algemene opmerkingen. Het is aan de rechter die over de feiten
oordeelt om vast te stellen of de verdachte op het moment van het ten laste gelegde feit een
psychische stoornis had in de zin van de artikelen 37a en 39 Sr (zie ook HR 2008:BC1311).
De rechter heeft hierin een eigen verantwoordelijkheid en is niet verplicht het advies van
deskundigen te volgen. Of de stoornis wel of niet in de DSM-classificatie staat, is niet
doorslaggevend (zie ook HR 2012:BY5355).
De rechter kan op grond van artikel 39 Sr beslissen dat het ten laste gelegde feit niet aan de
verdachte kan worden toegerekend als de verdachte op dat moment een psychische stoornis
had en door die stoornis niet kon begrijpen dat het feit verboden was of niet in staat was
om zich naar dat begrip te gedragen. Gedragingen van de verdachte die plaatsvonden vóór
het optreden van de stoornis zoals bedoeld in artikel 39 Sr, kunnen het oordeel dat het feit niet
kan worden toegerekend in de weg staan. Alleen in bijzondere gevallen kan daar een
uitzondering op worden gemaakt (zie ook HR 1981:AC0902 en HR 2008:BC3797).
Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte op het moment van het plegen van de strafbare
feiten een psychische stoornis had, zonder daarbij precies te benoemen welke stoornis dat
was, en dat de feiten in direct verband staan met die stoornis. Bij de vraag of de bewezen
verklaarde feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend, heeft het hof gekeken naar
wat daarover is gezegd door het Openbaar Ministerie en de verdediging, en naar de rapporten
van gedragsdeskundigen. Het hof heeft op basis daarvan geconcludeerd dat de verdachte tot
2