Oefenexamen, oefentoets, 100, + 50
(meer)keuzevragen!
Social Psychology Fourteenth/Fifteenth Edition
- Leer door begrippen!
Een volledig oefenexamen van sociale psychologie 14/15e editie. Bevat
vragen van alle hoofdstukken (in chronologie).
ISBN 10: 1292438320 / ISBN 13: 9781292438320
Zie ook het document, “Samenvatting” door: Studiebegrip, Leer door
begrippen.
1
,Gemaakt door: Studiebegrip V2
Hoofdstuk 1
1. Wat is het primaire onderwerp dat wordt bestudeerd in de
sociale psychologie?
a) De manier waarop het denken, voelen en gedrag van individuen wordt
beïnvloed door hun sociale omgeving.
b) Psychische stoornissen en hun behandeling.
c) Hersenactiviteiten tijdens slaap.
d) Grootschalige sociale structuren en instituties.
2. Wat is een belangrijk verschil tussen sociale psychologie en
sociologie?
a) Sociologen richten zich op individuen, terwijl sociale psychologen zich
bezighouden met culturele verschijnselen.
b) Sociale psychologen richten zich op individueel gedrag in sociale
context, terwijl sociologen grotere groepen en maatschappelijke structuren
bestuderen.
c) Sociale psychologen gebruiken uitsluitend kwalitatief onderzoek, terwijl
sociologen experimenteel onderzoek toepassen.
d) Sociale psychologie en sociologie zijn exact dezelfde discipline.
3. Welke onderzoeksmethode is het meest geschikt voor het
vaststellen van oorzakelijke verbanden?
a) Systematische observaties in natuurlijke omgevingen.
b) Correlationeel onderzoek via vragenlijsten.
c) Experimenteel onderzoek met gerandomiseerde toewijzing.
d) Longitudinaal veldonderzoek.
4. Wat beschrijft het beste een mediërende variabele?
a) Een variabele die wordt beïnvloed door een onafhankelijke variabele en
vervolgens een afhankelijke variabele beïnvloedt.
b) Een variabele die als externe factor zowel de onafhankelijke als
afhankelijke variabele beïnvloedt.
c) Een andere term voor de afhankelijke variabele.
d) Een variabele die alle andere variabelen identiek laat.
5. Wat is meta-analyse in de context van sociaal-psychologisch
onderzoek?
a) Een methode waarbij hetzelfde experiment meerdere malen wordt
herhaald.
b) Een manier om theorieën in laboratoriumonderzoek na te bootsen.
c) Een procedure om literatuur systematisch zonder statistiek te
documenteren.
d) Een methode om kwalitatieve interviews te analyseren.
2
,Gemaakt door: Studiebegrip V2
e) Een statistische techniek om de resultaten van verschillende studies
samen te voegen.
6. Welke functie vervullen theorieën in sociaal-psychologisch
onderzoek?
a) Ze organiseren bestaande kennis en maken voorspellingen over
toekomstig gedrag.
b) Ze dienen als richtlijn voor ethische keuzes.
c) Ze vervangen empirisch bewijs door speculatie.
d) Ze zijn alleen relevant voor het indelen van literatuurstudies.
7. Wat zijn impliciete processen in de sociale psychologie?
a) Volledig bewuste en doelgerichte denkwijzen.
b) Niet-bewuste automatische processen die gedrag en oordeel
beïnvloeden.
c) Technieken om mensen expliciet te beïnvloeden.
d) Openlijke communicatiestrategieën.
8. Waarmee houdt sociale neurowetenschap zich bezig?
a) Het bestuderen van sociale netwerken in organisaties.
b) Analyseren van groepsgedrag in een natuurlijke omgeving.
c) Onderzoek naar hoe hersenactiviteit samenhangt met sociaal gedrag.
d) Integreren van culturele modellen in neurobiologische systemen.
9. Wat houdt "taking full account of social diversity" in de sociale
psychologie in?
a) Ervan uitgaan dat universele wetmatigheden voor alle mensen gelden.
b) Cultuurspecifieke factoren verwaarlozen om theoretische modellen te
vereenvoudigen.
c) Het enkel onderzoeken van één culturele groep als representatief
voorbeeld.
d) Erkennen dat cultuur, etniciteit, geslacht en andere verschillen
menselijk gedrag beïnvloeden.
10. Wat houdt 'informed consent' in bij sociaal-psychologisch
onderzoek?
a) Deelnemers volledig informeren over het onderzoek en hun
toestemming vragen voor deelname.
b) De ware aard van het experiment geheimhouden voor deelnemers.
c) Deelnemers pas na afloop informeren over de onderzoeksresultaten.
d) Geen uitleg geven als het onderzoek anoniem plaatsvindt.
3
, Gemaakt door: Studiebegrip V2
Hoofdstuk 2
11. Wat staat centraal in het concept ‘sociale cognitie’?
a) Het leren van motorische vaardigheden door observatie.
b) Het verwerken, opslaan en toepassen van informatie over sociale
situaties en anderen.
c) Het gebruik van taal in groepscontexten.
d) Het systematisch observeren van interacties in een laboratorium.
12. Wat wordt bedoeld met het ‘schema’-concept in de sociale
psychologie?
a) Een onbewust emotioneel proces.
b) Een mentaal raamwerk dat informatie structureert en interpretatie van
gebeurtenissen stuurt.
c) Een concrete handeling die gedrag bepaalt.
d) Een theoretisch model zonder praktische toepassing.
13. Hoe beïnvloeden schema’s informatieverwerking in nieuwe
situaties?
a) Ze vertragen altijd het begrip van nieuwe stimuli.
b) Ze zorgen voor een snellere interpretatie door verwachtingen te
activeren.
c) Ze maken interpretatie volledig objectief.
d) Ze elimineren alle vooroordelen bij oordelen.
14. Wat is een heuristiek in sociale cognitie?
a) Een strikt logische, foutloze redeneerwijze.
b) Een eenvoudige, vaak automatische vuistregel voor oordelen en
beslissingen.
c) Een volledig willekeurige gok bij gebrek aan informatie.
d) Een bewuste keuze gebaseerd op uitgebreid statistisch bewijs.
15. Wat beschrijft de representativiteitsheuristiek het beste?
a) Oordelen baseren op hoe goed iets lijkt te passen bij een prototype.
b) Het onthouden van informatie die het meest recent is.
c) Een inschatting maken op basis van emotionele voorkeuren.
d) Het wegen van alle beschikbare statistische gegevens.
4