Allemaal voldoende!
Week 1: Verdiepingsvraag
Als je de periode ná de Neolithische Revolutie vergelijkt met de periode vóórde Neolithische
Revolutie (zoals beschreven door Stearns en Dillehay), welke twee begrippen uit de
glossarium kernbegrippen (online beschikbaar op Brightspace) zijn ontstaan tijdens de
Neolithische Revolutie?
Schrijf een kort essay van 300 woorden waarin je uitlegt en argumenteert welke twee
begrippen het meest van toepassing zijn
Antwoord:
Ik kies de begrippen:
Transitie en sociale structuur:
Transitie: Een transitie is een grootschalige overgang van het ene stadium naar het andere.
Dit is een proces waar door de samenleving ingrijpend veranderd.
Sociale structuur: Een sociale structuur is het min of meer stabiele netwerk van relaties
tussen groepen personen in een samenleving
De begrippen transitie en sociale structuur vind ik goed passen bij de Neolithische Revolutie.
Ook omdat Transitie expliciet in het hoorcollege werd benoemd.
In deze periode vindt een verandering van de jagers en verzamelaars naar een agrarische
samenleving plaats. In deze periode waren er bepaalde gewoontes, maar door sociale en
ecologische veranderingen moesten mensen zich aanpassen en ontstonden er nieuwe
gewoontes. Het klimaat werd warmer/droger, dus alle dieren vertrokken. Er groeiden meer
eetbare planten en de grootste bron van voedsel verdween. Ze moesten dus op zoek naar
nieuwe vormen om zichzelf te kunnen in leven te kunnen houden. Ze werden afhankelijk van
de landbouw. Deze veranderingen zorgden voor een overgang naar een agrarische
samenleving. Er heeft zich dus een ‘transitie’ voorgedaan.
Daarnaast ontstond er een sociale structuur. Men ging met elkaar handelen bedrijven en er
ontstonden connecties tussen verschillende kleine dorpen/samenlevingen. Door de power of
pots hadden kregen deze groepen mensen ineens te maken met een enorm
voedseloverschot. Dit overbodige voedsel kon dan weer worden geruild met andere kleine
groepen. Het ontstaan van een sociale structuur is dus ook een goed begrip voor deze
periode. Samenlevingen raken voor het eerst in contact met elkaar. Aan het begin van deze
periode valt er nog wel wat te zeggen over hoe ‘stabiel’ deze connectie tussen deze groepen
was. Later in deze periode is hier echter niet meer van te spreken. Er beginnen zich steeds
grotere rijken te vormen, waar handel een groot deel van het stadsleven was. Een goed
voorbeeld hiervan is de handel in tin en koper. Elke samenleving had dit nodig voor het
maken van brons. Om dus aan deze producten te komen was het vereist dat samenlevingen
een stabiele (handels)relatie met elkaar hadden.
, Sociale Stratificatie:
Sociale stratificatie is een indeling van de maatschappij in een bepaalde rangorde,
gelaagdheid of ladder die op basis van verschillende criteria kan plaatsvinden. Een
beroepsprestigestratificatie, bijvoorbeeld, vindt plaats op basis van het maatschappelijk
aanzien dat aan beroepen wordt toegekend. Een inkomensstratificatie vindt plaats op basis
van inkomenshoogte
(ook goed =) Handels(dis)balans:
Op de handelsbalans, onderdeel van de betalingsbalans, verschijnt de totale geldelijke
waarde van goederen, diensten en kapitaal die een land ingaan en verlaten. Bij een positieve
handelsbalans komt er meer vanuit het buitenland binnen dan dat er uit een land weggaat,
bij een negatieve handelsbalans worden er juist meer betalingen verricht dan er ontvangen
worden.
Aantekeningen Werkcollege:
Belangrijkste voorwaarde voor globalisering is de handel, dat vond nog niet plaatst tijdens de
jagers en verzamelaars. Power of Pots, waardoor voedseloverschotten ontstonden.
Specialisatie zorgt ervoor dat mensen handelaar worden en er meer producten komen om te
verhandelen.
Ecologische en sociale veranderingen zorgen voor een nieuw landbouwcultuur, door de
IJstijd die ervoor zorgde dat grote dieren uitstierven voor de jacht en kleinere dieren
ontstonden die als vee gehouden konden worden.
Het verschil is de tijd die ze meegeven aan het begrip Globalisatie, The new globalizations
(1950 en worden standvastig genoemd door Stearns). The World Historians die hebben
verschillende visies over het begin van globalisering, maar de meeste mikken op 19e eeuw.
B3:
De schelpen ging van mens op mens en er was geen directe lijn van handel, directe lijn van
handel is belangrijk want er is geen uitwisseling van verschillende culturen wat niet echt
globalisering is. Het was maar 1 levering, niet zeker of het een handelsroute was.
Belangrijkste punt Stearns hoofdstuk 2: Er vond wel handel plaats, je kunt het geen
globalisatie noemen, het was nog te regionaal en teveel beperkingen, maar het was het
opstapje naar pre-globalisatie.