Samenvatting Economics & Finance
H1 Introductie financieel plannen
Financieel plannen heeft als doel om zoveel mogelijk onverwachte en ongewenste
risico’s in iemands persoonlijke financiële situatie uit te sluiten. Door het opstellen
van een budgetplan kan een financieel planner het financiële huishouden van
iemand op een bepaald moment in kaart brengen. In een budgetplan staat een
overzicht van de inkomsten en uitgaven. Hiermee kan een financieel planner aan
geven aan de consument of er een overschot of een tekort is. De financieel planner
adviseert vervolgens wat er kan worden gedaan om financiële doelstellingen voor de
toekomst te bereiken. Om dit advies te kunnen geven heeft de financieel planner
voldoende kennis nodig van: de fiscale aspecten, de juridische aspecten en de 3-
pijler methode.
Begrippen:
Consument: Is persoon die consumeert. Hij koopt goederen of diensten zonder
intentie op deze weer te verkopen of te verwerken voor verkoop.
Client: Een persoon aan wie een product of dienst wordt geleverd
Betalen: Geld uitgeven voor tegenprestatie.
Sparen: Uitstellen consumptie van deel inkomen.
Ontsparen: Middelen die een persoon eerder heeft gepaard, worden nu gebruikt om
te consumeren.
Lenen: Als een persoon meer wil consumeren dan zijn inkomen toelaat. Hij moet
hiervoor geld aantrekken bij een ander partij om zijn tekort aan te vullen.
Investeren: Hierbij stop je nu alvast geld in een product of dienst om er later profijt
van te hebben.
Inflatie: Het stijgen van prijzen producten en diensten. Bij een groeiende economie,
stijgen salarissen, klant krijgt meer geld te besteden, veel vraag naar producten,
vraag overstijgt aanbod.
Deflatie: Daling van prijzen producten en diensten. Met zelfde hoeveelheid geld kan
meer gekocht worden.
Stagnatie: Ontstaan stilstaande markt. De economie groeit nagenoeg niet meer. Door
schaarste kunnen producten en diensten wel duurder worden. Terwijl lonen niet
stijgen. Bij stagnatie is daarom vaak een hoge werkeloosheid.
H1 Introductie financieel plannen
Financieel plannen heeft als doel om zoveel mogelijk onverwachte en ongewenste
risico’s in iemands persoonlijke financiële situatie uit te sluiten. Door het opstellen
van een budgetplan kan een financieel planner het financiële huishouden van
iemand op een bepaald moment in kaart brengen. In een budgetplan staat een
overzicht van de inkomsten en uitgaven. Hiermee kan een financieel planner aan
geven aan de consument of er een overschot of een tekort is. De financieel planner
adviseert vervolgens wat er kan worden gedaan om financiële doelstellingen voor de
toekomst te bereiken. Om dit advies te kunnen geven heeft de financieel planner
voldoende kennis nodig van: de fiscale aspecten, de juridische aspecten en de 3-
pijler methode.
Begrippen:
Consument: Is persoon die consumeert. Hij koopt goederen of diensten zonder
intentie op deze weer te verkopen of te verwerken voor verkoop.
Client: Een persoon aan wie een product of dienst wordt geleverd
Betalen: Geld uitgeven voor tegenprestatie.
Sparen: Uitstellen consumptie van deel inkomen.
Ontsparen: Middelen die een persoon eerder heeft gepaard, worden nu gebruikt om
te consumeren.
Lenen: Als een persoon meer wil consumeren dan zijn inkomen toelaat. Hij moet
hiervoor geld aantrekken bij een ander partij om zijn tekort aan te vullen.
Investeren: Hierbij stop je nu alvast geld in een product of dienst om er later profijt
van te hebben.
Inflatie: Het stijgen van prijzen producten en diensten. Bij een groeiende economie,
stijgen salarissen, klant krijgt meer geld te besteden, veel vraag naar producten,
vraag overstijgt aanbod.
Deflatie: Daling van prijzen producten en diensten. Met zelfde hoeveelheid geld kan
meer gekocht worden.
Stagnatie: Ontstaan stilstaande markt. De economie groeit nagenoeg niet meer. Door
schaarste kunnen producten en diensten wel duurder worden. Terwijl lonen niet
stijgen. Bij stagnatie is daarom vaak een hoge werkeloosheid.