Samenvatting boek ‘verplegen van zorgvragers met een psychiatrische ziekte’
Hoofdstuk 6 zorgvragers met een persoonlijkheidsstoornissen en dissociatieve stoornissen
6.1
Bij persoonlijkheidsstoornissen gaat het over diep ingeslepen gedragspatronen in het denken, voelen
en handelen.
Onder persoonlijkheid vallen: Onder persoonlijkheid vallen niet:
Emoties Intelligentie
Normen Uiterlijke verschijning
Motieven Lichamelijke conditie
Houdingen
Opvattingen
Gewoonten
Bij temperament en karakter gaat het niet om het denken, het gedrag of de beleving zelf, maar om wat
er aan ten grondslag ligt. Wat persoonlijkheid betreft wordt een mens in principe blanco geboren. Er is
wel sprake van een erfelijke aanleg ( constitutie). Het temperament van een persoon wordt gezien als
het resultaat van die erfelijke aanleg. Een driftig kind kan je aan het huilen herkennen en een levendig
kind als baby vaak beweeglijk. De constitutie kan je als een soort grondstof zien van waaruit de
persoonlijkheid van een mens zich ontwikkelt en verandert gedurende zijn leven. Het karakter wordt
gezien als het resultaat van de vroegkinderlijke factoren die invloed hebben uitgeoefend op de eerste
fasen van de ontwikkeling van de persoonlijkheid. Het vormt als het ware het fundament. Hierop
steunt de verder ontwikkeling. Daarom zijn de kinderenjaren van enorm belang in de ontwikkeling van
de persoonlijkheid. In deze periode wordt dus de basis gelegd voor het functioneren van de
volwassene en voor de manier waarop hij zichzelf en anderen ervaart.
Persoonlijkheidsontwikkeling
Er zijn twee factoren te onderscheiden waardoor iemands persoonlijkheid ontwikkelt en verandert:
Fysiologische: mensen veranderen vanuit zichzelf doordat ze ouder worden, het lichaam zich
ontwikkelt en verandert, lichaamsprocessen veranderen enz.
(intensieve) gebeurtenissen in het leven of omgeving: mensen veranderen onder invloed van
(intensieve) gebeurtenissen. Door het leven leer je wat voelt en wat minder goed, wat je bang
maakt en wat je hoop geeft. Je hebt ervaringen die je motiveren of juist ontmoedigen.
Door een combinatie van deze twee factoren ontstaan iemand karakteristieke denk-, belevings-, en
gedragspatronen en ontwikkelt zich iemands persoonlijkheid. Bij een persoonlijkheidsstoornis is de
ontwikkeling van iemand persoonlijkheid de verkeerde kant opgegaan of op bepaalde gebieden
gestagneerd. Daarom wordt een persoonlijkheidsstoornis ook vaak verklaard vanuit deze twee
factoren.
De beleving en uiting van gevoelens kunnen verstoord zijn door bv. te sterk reageren op emoties
(overdraven blij, overdreven dramatisch). Vaak gaan deze verstoringen samen met steeds
terugkerende moeilijkheden in de beheersing van hun eigen impulsen. Hierdoor ervaren eigenlijk alle
mensen met een persoonlijkheidsstoornis moeilijkheden in hun contact met anderen en lopen vaak
vast op verschillende terreinen in het leven, bv. in relaties, op het werk enz.
De aard en de ernst van een persoonlijkheidsstoornis kan enorm verschillen. De ene heeft alleen
maar bijzondere ‘trekjes’, de andere kan dermate afwijkende gedragspatronen hebben die tot
agressief gedrag leiden. Een persoonlijkheidsstoornis hoeft op zich geen aanleiding te zijn om in
behandeling te gaan, omdat iemand ogenschijnlijk ‘normaal’ functioneert. De aanleiding tot een
hulpvraag wordt eerder gevormd door de beperkingen in het persoonlijke, sociale en beroepsmatige
functioneren als gevolg van een persoonlijkheidsstoornis.
Belangrijkste kenmerken van een persoonlijkheidsstoornis:
Duurzaam en star patroon van niet-functioneel denken
Duurzaam en star patroon van niet-functioneel voelen en/of beleven
Duurzaam en star patroon van niet-functioneel van onaangepast gedrag
, Vaak komen persoonlijkheidsstoornissen en klinische stoornissen tegelijk voor. De
persoonlijkheidsstoornis is dan in veel gevallen een onderliggende stoornis, die het optreden van
symptomen als angst, depressie, dwang, psychose of verslaving mede veroorzaakt. Er kan
onderscheid worden gemaakt tussen personen met een persoonlijkheidsstoornis en personen met
‘trekken’ van een persoonlijkheidsstoornis. In het eerste geval zijn de gedragspatronen zodanig star,
dat dit vrijwel altijd problemen oplevert in het dagelijks leven. Personen met ‘trekken’ van een
persoonlijkheidsstoornis, vertonen wel verschijnselen die passen bij de beschreven
persoonlijkheidsstoornis maar die leveren minder problemen op in het aanpassen en leveren soms
zelfs voordelen op. Bv persoonlijkheidsstrekken zoals narcisme, het geven van leiding enz. het succes
kan vergroten van iemand in een leidinggevende positie.
Een persoonlijkheidsstoornis ontwikkelt zich geleidelijk, in tegenstelling tot de symptomen of een
klinische stoornis. Bij een persoonlijkheidsstoornis komt er als het ware niets ‘nieuws’ bij. Bepaalde
kenmerken hebben altijd al bij een persoon gehoord. Een persoonlijkheidsstoornis is vaak vanaf de
adolescentie een (zeer)langdurig aanwezig en bovendien onopvallend en impliciet. De problemen die
deze zorgvrager ervaren, worden door hen vaak toegeschreven aan anderen. Zij zien de wereld en
niet zichzelf uit de pas lopen. Zij ervaren hun problemen dan als ego-syntoon, d.w.z. als bij hun
persoon passen (ego-dystoon = dat deze ervaren wordt als niet bij de persoon passend). Niet zijzelf,
maar anderen moeten veranderen dan wel zich anders gedragen. Er is hierdoor minder motivatie tot
behandeling. De zorgvrager heeft de neiging tot externaliseren: dat de zorgvrager de oorzaak voor
problemen vooral buiten zichzelf plaatst. De zorgvrager ziet zichzelf als slachtoffer van de
omstandigheden en ze worden door anderen veroorzaakt. Zorgvragers zoeken veelal hulp wanneer
zich een crisis voordoet en onttrekken zich vaak weer aan de behandeling wanneer er weer een
bepaalde stabiliteit is hervonden. Dit heeft tot gevolg dat de behandeling vaak moeizaam is en
gepaard gaat met veel onderbrekingen. Voor de hulpverlener betekent dit dat geduld en
uithoudingsvermogen nodig is, waarbij realistische doelen gesteld moeten worden en hoge
verwachtingen niet op hun plaats zijn. Symptomen onderscheiden zich van een
persoonlijkheidsstoornis doordat ze:
Veelal recent of van korte duur zijn
Expliciet en opvallend aanwezig zijn
Niet als bij de persoon passend ervaren worden (ego-dystoon)
Lijdensdruk geven en aanleiding zijn tot behandelbehoefte.
Drie clusters van persoonlijkheidsstoornis volgens het DSM-IV
De DSM-IV onderscheidt elf verschillende persoonlijkheidsstoornissen die ondergebracht zijn in drie
clusters. De negativistische persoonlijkheidsstoornis worden overigens apart beschreven in een
bijlage.
Cluster A
Dit betreft persoonlijkheden met vreemd en excentriek gedrag. Zij beschermen zich, uit kwetsbaarheid
of onzekerheid door zonderling en achterdochtig gedrag. Soms is er sprake van psychotische
verschijnselen, zoals wanen of hallucinaties en onsamenhangende spraak of gedachtegang. Vooral
wanneer er sprake is van psychotische verschijnselen kan het gedrag soms onhanteerbaar tot zelfs
gevaarlijk zijn. Er komen ook ongewone overtuiging, waarnemingen, ervaringen en gedrag voor, onder
dat er duidelijk sprake is van psychotische symptomen.
Paranoïde persoonlijkheidsstoornis
Personen met deze stoornis zijn overdreven wantrouwend naar anderen toe en hebben snel het
gevoel dat ze onrechtvaardig behandeld worden. Ze kunnen slecht kritiek verdragen zijn wrokkig. Ze
zijn ook star, kunnen geen compromissen sluiten, nemen zelden iemand in vertrouwen en vermijden
intimiteit.
Schizoïde persoonlijkheidsstoornis
Zij zijn echte einzelgänger. Ze leiden een sociaal geïsoleerd leven. Ze beleven geen plezier aan
relaties (inclusief familie) en hebben er vaak ook geen behoefte aan. Ze reageren kil en emotioneel
afgevlakt. Ook wanneer ze complimenten of kritiek krijgen. Ze kiezen vaak voor activiteiten die ze
alleen kunnen doen (ook werk). Echte vrienden of vertrouwelingen zijn er meestal niet en ze hebben
er ook geen behoefte aan. Ook bestaat er weinig tot geen behoefte aan seksueel contact.
Schizotypische persoonlijkheidsstoornissen
Hoofdstuk 6 zorgvragers met een persoonlijkheidsstoornissen en dissociatieve stoornissen
6.1
Bij persoonlijkheidsstoornissen gaat het over diep ingeslepen gedragspatronen in het denken, voelen
en handelen.
Onder persoonlijkheid vallen: Onder persoonlijkheid vallen niet:
Emoties Intelligentie
Normen Uiterlijke verschijning
Motieven Lichamelijke conditie
Houdingen
Opvattingen
Gewoonten
Bij temperament en karakter gaat het niet om het denken, het gedrag of de beleving zelf, maar om wat
er aan ten grondslag ligt. Wat persoonlijkheid betreft wordt een mens in principe blanco geboren. Er is
wel sprake van een erfelijke aanleg ( constitutie). Het temperament van een persoon wordt gezien als
het resultaat van die erfelijke aanleg. Een driftig kind kan je aan het huilen herkennen en een levendig
kind als baby vaak beweeglijk. De constitutie kan je als een soort grondstof zien van waaruit de
persoonlijkheid van een mens zich ontwikkelt en verandert gedurende zijn leven. Het karakter wordt
gezien als het resultaat van de vroegkinderlijke factoren die invloed hebben uitgeoefend op de eerste
fasen van de ontwikkeling van de persoonlijkheid. Het vormt als het ware het fundament. Hierop
steunt de verder ontwikkeling. Daarom zijn de kinderenjaren van enorm belang in de ontwikkeling van
de persoonlijkheid. In deze periode wordt dus de basis gelegd voor het functioneren van de
volwassene en voor de manier waarop hij zichzelf en anderen ervaart.
Persoonlijkheidsontwikkeling
Er zijn twee factoren te onderscheiden waardoor iemands persoonlijkheid ontwikkelt en verandert:
Fysiologische: mensen veranderen vanuit zichzelf doordat ze ouder worden, het lichaam zich
ontwikkelt en verandert, lichaamsprocessen veranderen enz.
(intensieve) gebeurtenissen in het leven of omgeving: mensen veranderen onder invloed van
(intensieve) gebeurtenissen. Door het leven leer je wat voelt en wat minder goed, wat je bang
maakt en wat je hoop geeft. Je hebt ervaringen die je motiveren of juist ontmoedigen.
Door een combinatie van deze twee factoren ontstaan iemand karakteristieke denk-, belevings-, en
gedragspatronen en ontwikkelt zich iemands persoonlijkheid. Bij een persoonlijkheidsstoornis is de
ontwikkeling van iemand persoonlijkheid de verkeerde kant opgegaan of op bepaalde gebieden
gestagneerd. Daarom wordt een persoonlijkheidsstoornis ook vaak verklaard vanuit deze twee
factoren.
De beleving en uiting van gevoelens kunnen verstoord zijn door bv. te sterk reageren op emoties
(overdraven blij, overdreven dramatisch). Vaak gaan deze verstoringen samen met steeds
terugkerende moeilijkheden in de beheersing van hun eigen impulsen. Hierdoor ervaren eigenlijk alle
mensen met een persoonlijkheidsstoornis moeilijkheden in hun contact met anderen en lopen vaak
vast op verschillende terreinen in het leven, bv. in relaties, op het werk enz.
De aard en de ernst van een persoonlijkheidsstoornis kan enorm verschillen. De ene heeft alleen
maar bijzondere ‘trekjes’, de andere kan dermate afwijkende gedragspatronen hebben die tot
agressief gedrag leiden. Een persoonlijkheidsstoornis hoeft op zich geen aanleiding te zijn om in
behandeling te gaan, omdat iemand ogenschijnlijk ‘normaal’ functioneert. De aanleiding tot een
hulpvraag wordt eerder gevormd door de beperkingen in het persoonlijke, sociale en beroepsmatige
functioneren als gevolg van een persoonlijkheidsstoornis.
Belangrijkste kenmerken van een persoonlijkheidsstoornis:
Duurzaam en star patroon van niet-functioneel denken
Duurzaam en star patroon van niet-functioneel voelen en/of beleven
Duurzaam en star patroon van niet-functioneel van onaangepast gedrag
, Vaak komen persoonlijkheidsstoornissen en klinische stoornissen tegelijk voor. De
persoonlijkheidsstoornis is dan in veel gevallen een onderliggende stoornis, die het optreden van
symptomen als angst, depressie, dwang, psychose of verslaving mede veroorzaakt. Er kan
onderscheid worden gemaakt tussen personen met een persoonlijkheidsstoornis en personen met
‘trekken’ van een persoonlijkheidsstoornis. In het eerste geval zijn de gedragspatronen zodanig star,
dat dit vrijwel altijd problemen oplevert in het dagelijks leven. Personen met ‘trekken’ van een
persoonlijkheidsstoornis, vertonen wel verschijnselen die passen bij de beschreven
persoonlijkheidsstoornis maar die leveren minder problemen op in het aanpassen en leveren soms
zelfs voordelen op. Bv persoonlijkheidsstrekken zoals narcisme, het geven van leiding enz. het succes
kan vergroten van iemand in een leidinggevende positie.
Een persoonlijkheidsstoornis ontwikkelt zich geleidelijk, in tegenstelling tot de symptomen of een
klinische stoornis. Bij een persoonlijkheidsstoornis komt er als het ware niets ‘nieuws’ bij. Bepaalde
kenmerken hebben altijd al bij een persoon gehoord. Een persoonlijkheidsstoornis is vaak vanaf de
adolescentie een (zeer)langdurig aanwezig en bovendien onopvallend en impliciet. De problemen die
deze zorgvrager ervaren, worden door hen vaak toegeschreven aan anderen. Zij zien de wereld en
niet zichzelf uit de pas lopen. Zij ervaren hun problemen dan als ego-syntoon, d.w.z. als bij hun
persoon passen (ego-dystoon = dat deze ervaren wordt als niet bij de persoon passend). Niet zijzelf,
maar anderen moeten veranderen dan wel zich anders gedragen. Er is hierdoor minder motivatie tot
behandeling. De zorgvrager heeft de neiging tot externaliseren: dat de zorgvrager de oorzaak voor
problemen vooral buiten zichzelf plaatst. De zorgvrager ziet zichzelf als slachtoffer van de
omstandigheden en ze worden door anderen veroorzaakt. Zorgvragers zoeken veelal hulp wanneer
zich een crisis voordoet en onttrekken zich vaak weer aan de behandeling wanneer er weer een
bepaalde stabiliteit is hervonden. Dit heeft tot gevolg dat de behandeling vaak moeizaam is en
gepaard gaat met veel onderbrekingen. Voor de hulpverlener betekent dit dat geduld en
uithoudingsvermogen nodig is, waarbij realistische doelen gesteld moeten worden en hoge
verwachtingen niet op hun plaats zijn. Symptomen onderscheiden zich van een
persoonlijkheidsstoornis doordat ze:
Veelal recent of van korte duur zijn
Expliciet en opvallend aanwezig zijn
Niet als bij de persoon passend ervaren worden (ego-dystoon)
Lijdensdruk geven en aanleiding zijn tot behandelbehoefte.
Drie clusters van persoonlijkheidsstoornis volgens het DSM-IV
De DSM-IV onderscheidt elf verschillende persoonlijkheidsstoornissen die ondergebracht zijn in drie
clusters. De negativistische persoonlijkheidsstoornis worden overigens apart beschreven in een
bijlage.
Cluster A
Dit betreft persoonlijkheden met vreemd en excentriek gedrag. Zij beschermen zich, uit kwetsbaarheid
of onzekerheid door zonderling en achterdochtig gedrag. Soms is er sprake van psychotische
verschijnselen, zoals wanen of hallucinaties en onsamenhangende spraak of gedachtegang. Vooral
wanneer er sprake is van psychotische verschijnselen kan het gedrag soms onhanteerbaar tot zelfs
gevaarlijk zijn. Er komen ook ongewone overtuiging, waarnemingen, ervaringen en gedrag voor, onder
dat er duidelijk sprake is van psychotische symptomen.
Paranoïde persoonlijkheidsstoornis
Personen met deze stoornis zijn overdreven wantrouwend naar anderen toe en hebben snel het
gevoel dat ze onrechtvaardig behandeld worden. Ze kunnen slecht kritiek verdragen zijn wrokkig. Ze
zijn ook star, kunnen geen compromissen sluiten, nemen zelden iemand in vertrouwen en vermijden
intimiteit.
Schizoïde persoonlijkheidsstoornis
Zij zijn echte einzelgänger. Ze leiden een sociaal geïsoleerd leven. Ze beleven geen plezier aan
relaties (inclusief familie) en hebben er vaak ook geen behoefte aan. Ze reageren kil en emotioneel
afgevlakt. Ook wanneer ze complimenten of kritiek krijgen. Ze kiezen vaak voor activiteiten die ze
alleen kunnen doen (ook werk). Echte vrienden of vertrouwelingen zijn er meestal niet en ze hebben
er ook geen behoefte aan. Ook bestaat er weinig tot geen behoefte aan seksueel contact.
Schizotypische persoonlijkheidsstoornissen