Jr 1 - OWE 1.3 MMB (wk 13-15, 18)
13. Infectie & afweersysteem
14. Bacteriële infecties
15. Virale infecties
18. Allergie
Jr 2 - OWE 2.1/2
5. Besmetting (covid)
9. Endo-, peri-, myocarditis, huid- en wondinfecties
10. Tuberculose, pneumonie
Jr 3 - OWE 3.3 Neurologie; Psychiatrie I en II
6. Neurologische infecties
11. Vergeetachtig
12. Verward in het ziekenhuis
13. Verward op straat
14. Somber
15. Angstig
16. Verslaafd
17. Plots verlamd
18. In de waan
19. Gestagneerd op meerdere levensgebieden
1. Weke delen infecties
,Jaar 1.2 – Infectie & Afweer
1.3.13 Infectieziekten – Intro
Prokaryoten (bacteriën en archaea): hebben geen celkern en andere organellen
Eukaryoten: hebben chromosomen in een nucleus
Gram+ grote peptidoglycaan-laag
Stafylokok (huid)
Kleuring met iodine en crystal violet
Gram- dubbelmembraan met daartussen een peptidoglycaan-laag, aan de buitenkant
zitten suikers (lipopolysacchariden (LPS) > gevaarlijk, endotoxine > reactie)
E. Coli (darm, long, neus)
Koch’s postulaten!!!
Pathogene micro-organismen zijn aanwezig bij alle patiënten met de ziekte.
Micro-organismen worden geïsoleerd van alle patiënten en zuivere culturen worden
verkregen (alleen voor kweekbare micro-organismen).
Infectie van een gevoelige gastheer (mens/dier) veroorzaakt dezelfde ziektesymptomen.
Hetzelfde micro-organisme wordt geïsoleerd van deze geïnfecteerde gastheer. Zuivere
culturen van micro-organismen kunnen worden opgezet
Bacteriën
Niet-pathogeen (gisten, schimmels, melkzuur): C. auris, ABPA
Facultatieve pathogenen: onderdeel van normale microbiotca
Stafylokokkus MRSA, enterococci VRE, enterobacteria CRE
Pathogenen: veroorzaken ziekten, typische epidemie gedrag, typische symptomen
Pest, influenza, ebola, E. Coli, meningokokken
1.3.13 Infectieziekten – Antibiotica in de 1e lijn
Extramurale zorg: hier wordt het meeste voorgeschreven (80%), echter geen relevante
toename in resistentie geobserveerd
Intramurale zorg: last-resort middelen, omgang met hygiëne
Pneumonie – onderste luchtweginfectie
< 50% van onderste luchtweginfectie door een bacterie (S. Pneumoniae)
Op basis van klachten bacterieel/viraal niet te onderscheiden
Longblaasjes betrokken > ernstig beloop > wordt behandeld met antibiotica. Effect van
antibiotica is hier 76-89% succesvol. De ziekte heeft een hogere mortaliteit als behandeling
langer dan 8 uur op zich laat wachten.
,1.3.13 Infectieziekten – Redeneren
Bovenste luchtweginfectie: neus, mond, sinussen, farynx, larynx
Onderste luchtweginfectie: trachea, longen
Pneumonie; longweefselontsteking, met name de alveoli
Pneumonie – anamnese
- Gast: leeftijd, opname, comorbiditeiten, immuun gecomprimeerd
- Zieke naasten of R-seizoen
- Migratie/reizen: resistente pathogenen, Legionella
- Diercontact: vogels, schapen/geiten (Q-koorts)
- Vaccinatie: HIV en COPD patiënten worden frequent gevaccineerd
o 5-jaarlijks pneumonie
o Jaarlijks influenza
Acuut hoesten – Risicofactoren voor een ernstig beloop
Leeftijd < 3 maanden; leeftijd > 75 jaar (arbitrair)
Comorbiditeit, met name:
• ernstige hart- en longaandoeningen
• diabetes mellitus (vooral bij insulinegebruik)
• neurologische aandoeningen
• ernstige lever- of nierinsufficiëntie
• sterk verminderde afweer
• (ex-)prematuriteit < 37 weken
CAP – community acquired pneumonie
Acute symptomatische inflammatie van de onderste luchtwegen, ontwikkeld buiten het ZH
CURB65 criteria voor ernst: 0-1 mild, 2 gemiddeld, 3-5 ernstig (opname!)
Confusion
Urea > 7.0 mmol/L
Respiratory rate > 30/min
Bloodpressure SBP < 90 / DBP < 60 mmHg
65 years /older
HAP – hospital aquired pneumonie
Ontwikkeling > 48hr na opname, zonder klachten bij opname
De meest voorkomende oorzaak van pneumonie is S. Pneumoniae
Haemophilus influenza is een bacterie
Bacteriën
Streptococcus pneumoniae, Haemophilus influenzae, Moraxella catarrhalis.
Legionella spp., Mycoplasma pneumoniae, Chlamydophila pneumoniae.
Virussen: influenza A en B virussen, SARS-CoV-2, andere coronavirussen, Rhinovirussen.
Diagnostiek
- Bloedkweken: minimaal 2 sets
- Sputum: kweek, PCR voor atypische pathogenen
- Urine: pneumococcus-antigeentest (altijd), legionella-antigeentest (bij sterk klinisch
vermoeden of ernstige CAP)
- Nasofaryngeale/Flockedswab: PCR voor respiratoire virussen
, 1.3.14 Bacteriële infectie – Intro
DNA ligt los in de bacterie, geen organellen
Pili wordt gebruikt om aan te hechten, of om DNA uit te
wisselen met andere bacteriën.
Bacteriën geven energie aan hun membraan door proton
motive force: protonengradiënt over het celmembraan uit metabolisme van de bacteriën
(NADH). Protonen meer aanwezig aan de buitenkant > protonen vloeien terug door motor in
het membraan > flagellen draaien.
Basis van leven voor bacteriën is de proton motive force. Beweging door chemotaxis.
Bacteriën kunnen een extra laag hebben van suikers > capsule > verdedigingsmechanisme.
Gram- hebben lipopolysacchariden (LPS) met porie eiwitten, welke belangrijke
aangrijpingspunten zijn voor sommige antibiotica.
Septum in het binnen > membraan > envelop
Lag fase: aanzetten van het systeem, wennen aan het voedingsmiddel
Toebel in de logaritsche fase!
Stationaire fase: limitatie maken verdere groei onmogelijk
Sporulatie – speciale groeifase, voor niet-ideale omgeving, zoals droogte GRAM+
Overlevingscel met sporen, alleen bij gram+ bacteriën!!
Temperatuur > 100 °C, droogte 20% luchtvochtigheid, overleven jaren
Steriel: bloed, beenmerg, CSF, sereuze vloeistoffen, weefsel, lagere luchtweg, blaas
Niet steriel: mond/neus/hogere luchtweg, huid, GI, vrouwelijke genitaal, urethra
Microbiële identificatie
- Genotypering: whole-genome sequencing, vooral bij multi-resistente infectie
- Proteotypering: MALDI-TOF op ribosomale eiwitten
- Fenotypering
CT-waarde (threshold): hoge CT betekent weinig DNA/bacterie in het monster