Week 1
Onderscheid tussen roerende en onroerende zaken
Onroerende zaken zijn: art. 3:3 lid 1 BW
- De grond
- De nog niet gewonnen delfstoffen
- De met de grond verenigde beplantingen
- De gebouwen en werken die duurzaam met de grond verenigd , hetzij rechtstreeks, hetzij door
vereniging met andere gebouwen of werken.
Wat doen we met grensgevallen (Woonark, stacaravan etc.) Is het roerend of onroerend ?
HR Portacabin (r.o. 3.3)
Het belangrijkste criterium is hierbij of het gebouw naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse
te blijven. De Hoge Raad geeft in dezelfde overweging een aantal handvatten waarmee je rekening dient te
houden bij de beoordeling van de vraag of het gebouw bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven:
1. Technische mogelijkheid om het gebouw te verplaatsen is niet relevant.
2. Kijk naar de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten kenbaar is.
3. Kijk naar de bestemming van een gebouw voor zover deze naar buiten kenbaar is.
4. Verkeersopvatting spelen bij de beoordeling geen rol, tenzij er onzekerheid blijft bestaan over de vraag
of een object kan worden beschouwd als duurzaam met de grond verenigd.
Bestanddelen
In art. 3:2 BW staat geschreven wanneer een object een zaak is. Een zaak kan echter uit veel verschillende
onderdelen bestaan. Deze onderdelen noemen wij de bestanddelen. Art. 3:4 BW geeft aan wanneer iets als een
bestanddeel van een zaak moet worden aangemerkt. Dit kan op 2 manieren:
1. Op grond van een immateriële band = als het op grond van de verkeersopvattingen tot die zaak behoort.
(lid 1) en/of
2. Op grond van een materiële band = als het zodanig met de hoofdzaak is verbonden dat zij niet kan
worden gescheiden zonder beide objecten ernstig te beschadigen. (lid 2) HR Depex/curatoren
Wat doen we met grensgevallen?
HR Depex/Curatoren Bergel (r.o. 3.7)
In dit arrest heeft de Hoge raad twee aanwijzingen gegeven ter invulling van de verkeersopvatting (Lid 1):
1. Is er sprake van een constructieve afstemming?
2. Is de hoofdzaak onvoltooid zonder het bestanddeel?
Natrekking
De vraag of een object kwalificeert als een zelfstandige zaak of als een bestanddeel van een andere zaak is van
belang vanwege het eenheidsbeginsel krachtens art. 5:3 BW. Voor zover niet anders bepaalt, is de eigenaar van
een zaak, eigenaar van al haar bestanddelen. Op grond van dit beginsel is een zaak, op het moment dat het een
bestanddeel wordt van een andere zaak, zelf geen zelfstandige zaak meer. Dit proces noemen we natrekking. Bij
natrekking maken we onderscheid tussen:
- Natrekking door onroerende zaken (5:20 BW)
- Natrekking door roerende zaken (5:14 BW)
Natrekking Onroerende zaken
Voor onroerende zaken regelt art. 5:20 BW wat de eigendom van de grond omvat. De belangrijkste categorie van
de in art. 5:20 lid 1 BW genoemde objecten zijn gebouwen en werken. De eigendom van de grond omvat de
gebouwen en werken, indien ze duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging
met andere gebouwen en werken, voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak.
Week 1
, Natrekking roerende zaken
Als het gaat om natrekking van een roerende zaak moet je kijken naar art. 5:14 BW. De vraag is: welke van de
oorspronkelijke zelfstandige zaken kan aangemerkt worden als de hoofdzaak? Voor de beantwoording van deze
vraag moet je naar twee criteria kijken zie art. 5:14 lid 3 BW:
1. De verkeersopvatting en
2. De waarde
Wanneer deze criteria in tegengestelde richting wijzen, gaat de verkeersopvatting voor. Indien een roerende zaak
bestanddeel wordt van een andere roerende zaak die als hoofdzaak is aan te merken, gaat de eigendom door
natrekking over aan de eigenaar van de hoofdzaak (lid 1). Art. 5:14 lid 2 BW geeft aan wat rechtens is als geen
van de zaken als hoofdzaak aangemerkt kan worden: er ontstaat dan mede-eigendom.
Eigendom
Eigendom is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben (5:1 BW) Het eigendomsrecht
is een goederenrechtelijk recht. Omdat het een recht is op een zaak (3:2 BW), en een zaak op zijn beurt weer een
goed is (3:1 BW)
Eigendom voor wat betreft roerende zaken heeft 2 kenmerken:
1. In het goederenrecht heeft het een absolute werking (Je kunt het tegen iedereen inroepen)
2. Het heeft zaaksgevolg
Beperkingen omtrent eigendom (5:1 BW lid 2 )
1. Misbruik van bevoegdheid (3:13 BW)
2. Hinder ( 5:37 BW)
3. Algemeen burenrecht, titel 5.4
Eigendom van onroerende zaken
Voor onroerende zaken regelt art. 5:20 BW wat de eigendom van de grond omvat. De belangrijkste categorie van
de in art. 5:20 BW genoemde objecten zijn de gebouwen en werken. De eigendom van de grond omvat de
gebouwen en werken, indien ze duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging
met andere gebouwen en werken, voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak.
Samenvatting arresten week 1
HR Depex/curatoren
Feiten
Depex N.V. ging failliet.
In de fabriek stonden machines die in eigendom toebehoorden aan een derde (leaseconstructie).
De curator wilde weten of deze machines tot de faillissementsboedel behoorden of dat ze als
afzonderlijke zaken konden worden opgeëist door de eigenaar.
Rechtsvraag
De centrale vraag was:
Vormen de machines die door natrekking met het fabrieksgebouw zijn verbonden bestanddelen van het gebouw
(en dus onderdeel van de boedel), of zijn het zelfstandige zaken die afgescheiden kunnen worden?
Rechtsregel
De Hoge Raad formuleerde twee criteria om te beoordelen of er sprake is van natrekking (bestanddeelvorming)
tussen een gebouw en zaken die daarin zijn aangebracht:
1. Constructieve samenhang:
Zijn gebouw en installatie in constructief opzicht op elkaar afgestemd? (Bijvoorbeeld: kan de fabriek
zonder de installatie niet goed functioneren zoals bedoeld?)
Week 1