Week 1 – voorwaardelijk opzet
Je moet willens en wetens handelen
Je weet waar je mee bezig bent en wil dat ook echt doen.
Zuiver of vol opzet:
1) Je handelt willens en wetens. (Met het oogmerk om iemand te vermoorden)
2) Je wil is primair gericht tot het gevolg wat intreedt
Voorwaardelijk opzet: Je aanvaardt bewust de aanmerkelijke kans dat intreedt bij het
gevolg: het gevolg moet op de koop zijn toegenomen (r.o. 3.6. HIV-I arrest.)
1) Aanmerkelijke kans Bestond er een aanmerkelijke kans dat het gevolg zou
intreden door het handelen van de verdachte?
a. Je kijkt hier naar de omstandigheden van het geval. (Aard van de gedraging en
omstandigheden waaronder deze is verricht.
b. Ook kijk je naar de algemene ervaringsregels.
2) Bewust Was de verdachte zich bewust van deze aanmerkelijke kans?
Vanuit de wetenschap bij de dader moet dit worden vastgesteld of verondersteld (r.o. 3.6
HIV-arrest.)
a. Objectiveren (je beschrijft een feit van algemene bekendheid dat
als je een bepaalde handeling uitvoert, dit leidt tot iemands
dood.)
b. Normativeren (er wordt gesteld dat iedereen iets weet en dat de
verdachte dit ook wist) en zijn er contra-indicaties?
3) Aanvaarden Heeft de verdachte de aanmerkelijke kans ook aanvaard?
De verdachte heeft de aanmerkelijke kans door zijn gedrag in het leven desbewust aanvaard
en op de koop toegenomen (r.o. 5.3. Porsche arrest.)
a. Heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard?
b. Kijk naar: uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging, verklaring van de verdachte
en getuigenverklaringen
c. Contra-indicaties (gebeurde er iets waaruit blijkt dat de verdachte dit niet aanvaard?)
IRARAC:
1. Issue/Rechtsvraag: Schrijf de rechtsvraag van de casus op.
2. Rule 1: Je beschrijft het juridische kader van de tenlastelegging (wetsartikel). Je kijkt
of de opzet is ingeblikt (zoals bij een mishandeling) of dat er moet worden voldaan
aan opzettelijk handelen zoals in de wettelijke delictsomschrijving.
3. Application 1: Je beantwoordt eerst of er sprake is van vol opzet. (Kijk naar de
vereisten)
4. Rule 2: Je beschrijft het juridische kader van voorwaardelijk opzet.
5. Application 2: Je beantwoordt de vraag of er sprake is van voorwaardelijk opzet. (Kijk
naar de vereisten)
6. Conclusion: Beantwoord de rechtsvraag met het wetsartikel.
, Week 1 – voorbedachte raad
Er is sprake van voorbedachte raad indien de verdachte de mogelijkheid heeft gehad
voor kalm en rustig beraad. Daarvoor moet vast komen te staan dat de verdachte
zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen
besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling,
zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen
van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.
1) Objectieve aanwijzing Heeft de dader tijd en gelegenheid gehad om zich
rekenschap te geven van de gevolgen van zijn daad? (Voorbedachte raad II)
a. Je kijkt hiervoor naar de omstandigheden van het concrete geval.
b. Het gaat er niet om dat de dader de tijd en gelegenheid werkelijk heeft gebruikt om
tot inzicht te komen; maar dat hij de mogelijkheid had.
2) Contra-indicaties Zijn er contra-indicaties die zwaarder wegen dan het feit dat er
tijd en gelegenheid was tot nadenken over de gevolgen? (r.o. 2.3. Voorbedachte
raad)
a. Hevige drift/gemoedsopwelling
b. Korte tijdspanne
c. Gelegenheid tot beraad tijdens de uitvoering
IRAC:
1. Issue/rechtsvraag: Schrijf de rechtsvraag van de casus op.
2. Rule: Je beschrijft het juridische kader van voorbedachte raad uit en benoemt het
arrest Voorbedachte Raad II: met de relevante rechtsoverwegingen.
3. Application: Je beantwoordt de vraag of de dader tijd en gelegenheid heeft gehad
en/of er sprake zijn van de benoemde contra-indicaties. Indien er wordt voldaan aan
een van de contra-indicaties, dan is er niet met voorbedachte raad gehandeld.
4. Conclusion: Beantwoord de rechtsvraag.
, Week 2 – culpa
Culpa is de verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid.
1) Wanneer is er sprake van onvoorzichtigheid
a. Er is sprake van aanmerkelijke onvoorzichtigheid (objectieve zijde)
b. Indien de verdachte anders had moeten handelen (normatieve zijde)
2) Onvoorzichtigheid is het gedrag onvoorzichtig?
a. In strijd met normen, zorgplichten, voorschriften, etc.
b. Is het gedrag wederrechtelijk? (Is het in strijd met de wet?)
c. Kijk naar de aard en ernst van de gedraging en van het gevolg
3) Aanmerkelijkheid Is het gedrag ook aanmerkelijk onvoorzichtig?
a. Had een normaal redelijk denkend mens het beter gedaan (culpa lata)?
b. Hoeveelheid normen, ernst normen, Garantenstellung en of er sprake is van een
ongeoorloofd risico. (Aanmerkelijke mate)
4) Verwijtbaarheid is het gedrag verwijtbaar?
a. De verdachte dient verwijtbaar te hebben gehandeld. Daarbij staat de vraag centraal
of de verdachte anders had kunnen handelen (subjectieve zijde)
b. Indien sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig handelen is het gedrag in beginsel
ook verwijtbaar, tenzij sprake is van een schulduitsluitingsgrond.
Gradaties van culpa
Bewuste schuld
Verdachte is zich bewust van de mogelijke gevolgen van zijn handelen, maar hoopt dat deze
gevolgen niet zullen treden.
Onbewuste schuld
Verdachte was zich niet bewust van een mogelijk gevolgen van zijn handelen, waar hij dat
wel had moeten zijn
IRAC:
1. Issue/Rechtsvraag beantwoorden
2. Rule: Culpa vereist dat sprake is van verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid.
3. Application: Je benoemt de vereisten van culpa en werken deze helemaal uit volgens
de casus.
4. Conclusion: Als er is voldaan aan de vereisten van culpa, is de verdachte schuldig aan
culpa. Wel benoem je in de conclusie nog van welke gradatie culpa er sprake is.