Oefententamenvragen
Thema 1 – Theoretische perspectieven & onderzoek (25 vragen)
1. Wat is epigenetica?
A. Verandering DNA-structuur
B. Aan- of uitzetten van genexpressie door omgeving
C. Overdracht van chromosomen
Antwoord: B
2. Welke onderzoeksmethode vermijdt cohort-effecten?
A. Cross-sectioneel
B. Longitudinaal
C. Cross-sequentieel
Antwoord: C
3. Wat is een voorbeeld van correlatieonderzoek?
A. Onderzoeken of stress examenresultaten beïnvloedt door random toewijzing
B. Kijken of er verband is tussen roken en geboortegewicht
C. Experiment met beloning bij kinderen
Antwoord: B
4. Wat is een nadeel van een case study?
A. Weinig diepgang
B. Moeilijk generaliseerbaar
C. Geen detailinformatie
Antwoord: B
5. Wat is een voordeel van experimenteel onderzoek?
A. Natuurlijke setting
B. Controle over variabelen
,C. Goedkoop en eenvoudig
Antwoord: B
6. Welke theorie benadrukt onbewuste driften?
A. Behaviorisme
B. Psychoanalyse
C. Cognitieve theorie
Antwoord: B
7. Welke theorie ziet ontwikkeling als leerprocessen via bekrachtiging?
A. Sociaal leren
B. Behaviorisme
C. Cognitief perspectief
Antwoord: B
8. Bandura is vooral bekend van:
A. Conditionering
B. Modelleren
C. Erfelijkheidsleer
Antwoord: B
9. Bij welk perspectief hoort Piaget?
A. Cognitief-ontwikkelingsperspectief
B. Behaviorisme
C. Systeemtheorie
Antwoord: A
10. Wat is de zone van naaste ontwikkeling?
A. Vaardigheden die kind zelfstandig kan
B. Vaardigheden die kind met hulp kan
C. Vaardigheden die kind nooit kan leren
, Antwoord: B
11. Bronfenbrenner’s microsysteem bestaat uit:
A. School, familie, vrienden
B. Cultuur, maatschappij
C. Normen en waarden
Antwoord: A
12. Wat is een sensitieve periode?
A. Tijd waarin bepaalde ervaringen belangrijk zijn, maar later nog in te halen
B. Periode waarin ontwikkeling onmogelijk is zonder ervaring
C. Periode waarin motoriek altijd gelijk ontwikkelt
Antwoord: A
13. Freud’s orale fase speelt zich af in:
A. 0–1 jaar
B. 1–3 jaar
C. 3–6 jaar
Antwoord: A
14. Welke Erikson-fase hoort bij schooltijd?
A. Initiatief vs schuld
B. Vlijt vs minderwaardigheid
C. Identiteit vs rolverwarring
Antwoord: B
15. Informatie-verwerkingstheorie ziet ontwikkeling als:
A. Discrete stadia
B. Continue verbetering van capaciteit
C. Aangeboren modules
Antwoord: B
Thema 1 – Theoretische perspectieven & onderzoek (25 vragen)
1. Wat is epigenetica?
A. Verandering DNA-structuur
B. Aan- of uitzetten van genexpressie door omgeving
C. Overdracht van chromosomen
Antwoord: B
2. Welke onderzoeksmethode vermijdt cohort-effecten?
A. Cross-sectioneel
B. Longitudinaal
C. Cross-sequentieel
Antwoord: C
3. Wat is een voorbeeld van correlatieonderzoek?
A. Onderzoeken of stress examenresultaten beïnvloedt door random toewijzing
B. Kijken of er verband is tussen roken en geboortegewicht
C. Experiment met beloning bij kinderen
Antwoord: B
4. Wat is een nadeel van een case study?
A. Weinig diepgang
B. Moeilijk generaliseerbaar
C. Geen detailinformatie
Antwoord: B
5. Wat is een voordeel van experimenteel onderzoek?
A. Natuurlijke setting
B. Controle over variabelen
,C. Goedkoop en eenvoudig
Antwoord: B
6. Welke theorie benadrukt onbewuste driften?
A. Behaviorisme
B. Psychoanalyse
C. Cognitieve theorie
Antwoord: B
7. Welke theorie ziet ontwikkeling als leerprocessen via bekrachtiging?
A. Sociaal leren
B. Behaviorisme
C. Cognitief perspectief
Antwoord: B
8. Bandura is vooral bekend van:
A. Conditionering
B. Modelleren
C. Erfelijkheidsleer
Antwoord: B
9. Bij welk perspectief hoort Piaget?
A. Cognitief-ontwikkelingsperspectief
B. Behaviorisme
C. Systeemtheorie
Antwoord: A
10. Wat is de zone van naaste ontwikkeling?
A. Vaardigheden die kind zelfstandig kan
B. Vaardigheden die kind met hulp kan
C. Vaardigheden die kind nooit kan leren
, Antwoord: B
11. Bronfenbrenner’s microsysteem bestaat uit:
A. School, familie, vrienden
B. Cultuur, maatschappij
C. Normen en waarden
Antwoord: A
12. Wat is een sensitieve periode?
A. Tijd waarin bepaalde ervaringen belangrijk zijn, maar later nog in te halen
B. Periode waarin ontwikkeling onmogelijk is zonder ervaring
C. Periode waarin motoriek altijd gelijk ontwikkelt
Antwoord: A
13. Freud’s orale fase speelt zich af in:
A. 0–1 jaar
B. 1–3 jaar
C. 3–6 jaar
Antwoord: A
14. Welke Erikson-fase hoort bij schooltijd?
A. Initiatief vs schuld
B. Vlijt vs minderwaardigheid
C. Identiteit vs rolverwarring
Antwoord: B
15. Informatie-verwerkingstheorie ziet ontwikkeling als:
A. Discrete stadia
B. Continue verbetering van capaciteit
C. Aangeboren modules
Antwoord: B