lOMoARcPSD|9470940
Inleiding psychologie HC
Syllabus: https://canvas.vu.nl/courses/79457/pages/syllabus?module_item_id=1304743
Onderwerp 1: Genen en evolutie
Psychologie: Is de wetenschappelijke studie van de geest, hersenen en gedrag om gedrag
te verklaren.
De genetische basis
- Is het correct om te zeggen dat een agressief persoon agressieve genen heeft?
o In de jaren 70 Nee, gedrag geen resultaat van iemands genen.
o In de jaren 90 Ja, experimenten was gemakkelijker om uit te voeren en ze
geloofde dat gedrag afkomstig was van hun genen.
o Vandaag: er is een interactie tussen genen en omgeving
- Cel – nucleus – 46 chromosomen (23 paren) – molecuul DNA – Gen (aan of uit) –
produceren proteïnen.
Genexpressie
- Genen kunnen aan- of uitgezet worden. Om een proteïnen te produceren moet het
gen aangezet zijn.
- Elke cel in het lichaam bestaat uit dezelfde paar van genen.
, lOMoARcPSD|9470940
- Cellen ontwikkelen zich op verschillende manieren wanneer ze in verschillende delen
van het lichaam zijn geïmplementeerd, wat leidt tot verschillende soorten van
genexpressie.
- De biochemische omgeving in een cel wordt beïnvloed door de biochemische
omgeving buiten een cel, timing in ontwikkeling, de algehele omgeving, ervaringen,
gedrag etc.
o Cellen van andere delen van het lichaam kunnen zich als andere cellen
ontwikkelen in andere delen van het lichaam
omgeving beïnvloed de cellen.
Genotype
- Een specifieke set van genen van een organisme
Fenotype
- De openlijke eigenschappen en gedragingen van een organisme
- Het fenotype wordt bepaald door genotype x omgeving (ervaringen, verleden en
heden)
Mono zygote (identieke) tweelingen hebben hetzelfde genotype (100% delen van genen)
Toch kunnen ze er anders uitzien of anders gedragen, vanwege andere omgevingen. Ze
verschillen in fenotype.
- Elk gen gaat gepaard met een ander gen
- Allelen zijn een specifieke variant van een gen
o Dominant: je hebt maar een copy nodig van het allel
o Recessief: je hebt 2 kopieën nodig van het allel
- Een specifieke eigenschap of gedrag wordt bepaald door de interactie tussen de
omgeving en:
o Een gen paar
o Meerdere gen paren: poly genetische overerving
- We erven onze genen van onze ouders
- Het genoom (een complete set van DNA; alle genen) is gevormd door evolutie door
de jaren heen Darwin zijn evolutietheorie (1859)
Evolutie door natuurlijke selectie (evolutietheorie van Darwin)
- De galapagos eilanden waar het wilde leven compleet anders is van Engeland the
origin of species (1859)
- Het belangrijkste mechanisme van evolutie is natuurlijke selectie
Er moet aan drie voorwaarden worden voldaan:
- Er is variatie tussen individuen van een populatie
- Individuen met een bepaalde eigenschap overleven en reproduceren met
hogere snelheden dan anderen
- De eigenschap die aan dit voordeel is gekoppeld, wordt doorgegeven van
ouders op nakomelingen
, lOMoARcPSD|9470940
Specifieke eigenschappen zullen beter gerepresenteerd worden in de volgende
generatie
- Organismes verschillen in genotype en variaties van genotype worden doorgegeven
van generatie op generatie
- Wat belangrijk is is de overleving van genen en niet de overleving van individuen
o Gebroken vleugelvertoning (vogel doet alsof hij gewond is om het nest en het
nageslacht te beschermen)
Bewijs van evolutie
- Fossielen: wereld bestond al veel langer fossielen bleken toen langer dan 550 mil
jaar te bestaan.
- De gelijkenis tussen genomen van verschillende organismen (apen en mensen).
- Pseudogenen: een inactief gen dat geen proteïne produceert. Mensen hebben meer
dan 2000 Psuedogenen. Mensen hebben ineffectieve genen die niets voor ons doen,
maar vroeger wel effect hadden op onze voorouders. Via mutatie is het
gedeactiveerd, maar het is niet verwijderd via evolutie
- Verspreiding van soorten over de hele wereld: continentale eilanden (ooit verbonden
met het grote continent, bijvoorbeeld Japan) versus oceanische eilanden (nooit
verbonden met continent, bijv. Hawaii)
Ondanks het enorme bewijs, zijn veel mensen nog steeds sceptisch over de
evolutietheorie
Genen en gedrag
- Natuur (genen) versus nurture (omgeving)
o De natuur/nurture debat is erg belangrijk geworden
- In plaats daarvan is er een continue interactie tussen genen en omgeving
- Wie we zijn wordt bepaald door hoe onze genen tot expressie komen in distinctieve
omgevingen.
- Wat je in het leven kunt bereiken wordt beperkt door je genen, binnen die grenzen
kun je heel anders zijn door je omgeving.
, lOMoARcPSD|9470940
Onderwerp 2: het brein en het zenuwstelsel
Introductie
- (interactie van) Genen x omgeving fenotype (visueel en niet visueel)
- Centrale zenuwstelsel (brein en ruggenmerg)
- Perifere zenuwstelsel (alle andere zenuwen)
Bouwstenen van het zenuwstelsel
- Fenotype is het product van de interactie tussen de genen en de omgeving
- Het zenuwstelsel bestaat uit twee basissoorten
o Gliacel support rol.
o Neuronen (elektrische pulsen): krijgen info van cellen en versturen info naar cellen
(impulsen).
Nucleus bevat de dna-moleculen; de chromosomen
Dendrieten ontvangen signalen van anderen neuronen
Axon geeft het signaal door naar andere zenuwen (output)
Info gaat dus vanaf het cellichaam richting het einde van de axon;
axon terminals.
Verschillende soorten neuronen
- Sensorische receptoren (in de huid): cellen die gespecialiseerd
zijn om soort fysieke energie te vertalen in een elektrische
signaal; impuls
- Sensorische (afferente) receptoren: dragen info binnen het
zenuwstelsel (brein)
- Motorische (efferente) receptoren (spieren): dragen de informatie vanaf
zenuwstelsel naar de spieren
- Interneuronen (verbindingen maken in het centrale zenuwstelsel)
Myelin sheath: zorg ervoor dat het signaal sneller door de axon gaat
Communicatie tussen neuronen
- Negatief en positief geladen neuronen
o -70 millivolts is de rustpotentiaal (er wordt geen signaal verzonden)
De binnenkant van de cel is negatief geladen ten opzichte van de
buitenkant van de cel (een potentie verschil tussen de binnenkant
en buitenkant van de neuron)
Treshold value = -55 millivolts (alleen dan wordt een
actiepotentiaal gegenereerd)
o Neuronen creëren actiepotentialen (+40 millivolts) – Natrium
(NA+) gaat door het membraan de cel in. Wordt positief
geladen vergeleken met de buitenkant.
Inleiding psychologie HC
Syllabus: https://canvas.vu.nl/courses/79457/pages/syllabus?module_item_id=1304743
Onderwerp 1: Genen en evolutie
Psychologie: Is de wetenschappelijke studie van de geest, hersenen en gedrag om gedrag
te verklaren.
De genetische basis
- Is het correct om te zeggen dat een agressief persoon agressieve genen heeft?
o In de jaren 70 Nee, gedrag geen resultaat van iemands genen.
o In de jaren 90 Ja, experimenten was gemakkelijker om uit te voeren en ze
geloofde dat gedrag afkomstig was van hun genen.
o Vandaag: er is een interactie tussen genen en omgeving
- Cel – nucleus – 46 chromosomen (23 paren) – molecuul DNA – Gen (aan of uit) –
produceren proteïnen.
Genexpressie
- Genen kunnen aan- of uitgezet worden. Om een proteïnen te produceren moet het
gen aangezet zijn.
- Elke cel in het lichaam bestaat uit dezelfde paar van genen.
, lOMoARcPSD|9470940
- Cellen ontwikkelen zich op verschillende manieren wanneer ze in verschillende delen
van het lichaam zijn geïmplementeerd, wat leidt tot verschillende soorten van
genexpressie.
- De biochemische omgeving in een cel wordt beïnvloed door de biochemische
omgeving buiten een cel, timing in ontwikkeling, de algehele omgeving, ervaringen,
gedrag etc.
o Cellen van andere delen van het lichaam kunnen zich als andere cellen
ontwikkelen in andere delen van het lichaam
omgeving beïnvloed de cellen.
Genotype
- Een specifieke set van genen van een organisme
Fenotype
- De openlijke eigenschappen en gedragingen van een organisme
- Het fenotype wordt bepaald door genotype x omgeving (ervaringen, verleden en
heden)
Mono zygote (identieke) tweelingen hebben hetzelfde genotype (100% delen van genen)
Toch kunnen ze er anders uitzien of anders gedragen, vanwege andere omgevingen. Ze
verschillen in fenotype.
- Elk gen gaat gepaard met een ander gen
- Allelen zijn een specifieke variant van een gen
o Dominant: je hebt maar een copy nodig van het allel
o Recessief: je hebt 2 kopieën nodig van het allel
- Een specifieke eigenschap of gedrag wordt bepaald door de interactie tussen de
omgeving en:
o Een gen paar
o Meerdere gen paren: poly genetische overerving
- We erven onze genen van onze ouders
- Het genoom (een complete set van DNA; alle genen) is gevormd door evolutie door
de jaren heen Darwin zijn evolutietheorie (1859)
Evolutie door natuurlijke selectie (evolutietheorie van Darwin)
- De galapagos eilanden waar het wilde leven compleet anders is van Engeland the
origin of species (1859)
- Het belangrijkste mechanisme van evolutie is natuurlijke selectie
Er moet aan drie voorwaarden worden voldaan:
- Er is variatie tussen individuen van een populatie
- Individuen met een bepaalde eigenschap overleven en reproduceren met
hogere snelheden dan anderen
- De eigenschap die aan dit voordeel is gekoppeld, wordt doorgegeven van
ouders op nakomelingen
, lOMoARcPSD|9470940
Specifieke eigenschappen zullen beter gerepresenteerd worden in de volgende
generatie
- Organismes verschillen in genotype en variaties van genotype worden doorgegeven
van generatie op generatie
- Wat belangrijk is is de overleving van genen en niet de overleving van individuen
o Gebroken vleugelvertoning (vogel doet alsof hij gewond is om het nest en het
nageslacht te beschermen)
Bewijs van evolutie
- Fossielen: wereld bestond al veel langer fossielen bleken toen langer dan 550 mil
jaar te bestaan.
- De gelijkenis tussen genomen van verschillende organismen (apen en mensen).
- Pseudogenen: een inactief gen dat geen proteïne produceert. Mensen hebben meer
dan 2000 Psuedogenen. Mensen hebben ineffectieve genen die niets voor ons doen,
maar vroeger wel effect hadden op onze voorouders. Via mutatie is het
gedeactiveerd, maar het is niet verwijderd via evolutie
- Verspreiding van soorten over de hele wereld: continentale eilanden (ooit verbonden
met het grote continent, bijvoorbeeld Japan) versus oceanische eilanden (nooit
verbonden met continent, bijv. Hawaii)
Ondanks het enorme bewijs, zijn veel mensen nog steeds sceptisch over de
evolutietheorie
Genen en gedrag
- Natuur (genen) versus nurture (omgeving)
o De natuur/nurture debat is erg belangrijk geworden
- In plaats daarvan is er een continue interactie tussen genen en omgeving
- Wie we zijn wordt bepaald door hoe onze genen tot expressie komen in distinctieve
omgevingen.
- Wat je in het leven kunt bereiken wordt beperkt door je genen, binnen die grenzen
kun je heel anders zijn door je omgeving.
, lOMoARcPSD|9470940
Onderwerp 2: het brein en het zenuwstelsel
Introductie
- (interactie van) Genen x omgeving fenotype (visueel en niet visueel)
- Centrale zenuwstelsel (brein en ruggenmerg)
- Perifere zenuwstelsel (alle andere zenuwen)
Bouwstenen van het zenuwstelsel
- Fenotype is het product van de interactie tussen de genen en de omgeving
- Het zenuwstelsel bestaat uit twee basissoorten
o Gliacel support rol.
o Neuronen (elektrische pulsen): krijgen info van cellen en versturen info naar cellen
(impulsen).
Nucleus bevat de dna-moleculen; de chromosomen
Dendrieten ontvangen signalen van anderen neuronen
Axon geeft het signaal door naar andere zenuwen (output)
Info gaat dus vanaf het cellichaam richting het einde van de axon;
axon terminals.
Verschillende soorten neuronen
- Sensorische receptoren (in de huid): cellen die gespecialiseerd
zijn om soort fysieke energie te vertalen in een elektrische
signaal; impuls
- Sensorische (afferente) receptoren: dragen info binnen het
zenuwstelsel (brein)
- Motorische (efferente) receptoren (spieren): dragen de informatie vanaf
zenuwstelsel naar de spieren
- Interneuronen (verbindingen maken in het centrale zenuwstelsel)
Myelin sheath: zorg ervoor dat het signaal sneller door de axon gaat
Communicatie tussen neuronen
- Negatief en positief geladen neuronen
o -70 millivolts is de rustpotentiaal (er wordt geen signaal verzonden)
De binnenkant van de cel is negatief geladen ten opzichte van de
buitenkant van de cel (een potentie verschil tussen de binnenkant
en buitenkant van de neuron)
Treshold value = -55 millivolts (alleen dan wordt een
actiepotentiaal gegenereerd)
o Neuronen creëren actiepotentialen (+40 millivolts) – Natrium
(NA+) gaat door het membraan de cel in. Wordt positief
geladen vergeleken met de buitenkant.