Begrippen psychologie
Les 1
Zimbardo – psychologie een inleiding - H7.3.1 (p. 291-292)
Overgangsritueel
- Kinderen in een niet industriële samenleving kennen geen fase van adolescentie. Kinderen
gaan na de kindertijd in een overgangsritueel – besnijdenis.
Lichaamsbeeld
- Het persoonlijke en subjectieve beeld van je eigen uiterlijk.
Van Iersel en van Wijngaarden
H1.2.3 (p.26-29)
‘positieve gezondheid’ volgens Huber
- Gezondheid is het vermogen van mensen zich aan te passen en eigen regie te voeren in het
licht van fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven.
6 pijlers van gezondheid:
1) Lichaamsfuncties 4) Kwaliteit van leven
o Medische feiten o Kwaliteit van leven/welbevinden
o Medische waarnemingen o Geluk beleven, genieten
o Ervaren gezondheid o Ervaren gezondheid
o Lichamelijk functioneren o Lekker in je vel zitten
o Klachten en pijn o Levenslust
o Energie o Balans
2) Mentaal welbevinden
o Cognitief functioneren 5) Sociaal-maatschappelijk participeren
o Emotionele toestand o Sociale en communicatieve vaardigheden
o Eigenwaarde en zelfrespect o Betekenisvolle relaties
o Gevoel controle te hebben ‘manageability’ o Sociale contacten
o Zelfmanagement en eigen regie o Geaccepteerd worden
o Veerkracht ‘resilience’ o Maatschappelijke betrokkenheid
o Je situatie begrijpen ‘comprehensibility’ o Betekenisvol werk
3) Zingeving 6) Dagelijks functioneren
o Zingeving/meaningfulness o Basis Algemeen Dagelijkse Levensverrichtingen
o Doelen/idealen nastreven (ADL)
o Toekomstperspectief o Instrumentele ADL
o Acceptatie o Werkvermogen
o Gezondheidsvaardigheden
Het biopsychosociaal model
- Klachten van mensen in kaart brengen door middel van het model;
,Les 2
Zimbardo – psychologie een inleiding - H7.3.2 t/m 7.3.4 (p.292-296)
Seksuele oriëntatie
- Heeft betrekking op het geslacht van de personen op wie men verliefd wordt, tot wie men
zich seksueel aangetrokken voelt en/of een relatie of seks mee heeft.
Formeel operationele fase
- De laatste fase van de cognitieve groei (Piaget)
- Het vermogen om abstract en complex te denken
- Tijdens deze fase komt het individu tot introspectie en begint het probleem te overdenken
Heemelaar – seksualiteit
H1.4 t/m 1.5.5 (p. 11 - 21)
H1.4 – geslacht
Geslacht
- Verwijst naar lichamelijke, biologische kenmerken
- Mannenlichaam, vrouwenlichaam of onduidelijk bij welk geslacht je ingedeeld kan worden
- Functie bij voortplanting – hormoonhuishouding, chromosomen en de in- en uitwendige
geslachtsorganen
Intersekse
- Toont aan dat mensen niet in 2 exclusieve geslachten is verdeeld; continuüm.
1.4.1 – het continuümmodel
Binaire beelden
- Man en vrouw
Mensen denken in het compartimentenmodel – hokjes denken
- Man of vrouw
- Homo- of heteroseksueel
- -> later biseksueel
Het continuümmodel
, - Rijke scala aan menselijke diversiteit op het gebied van:
- Geslachtsidentiteit
- Genderidentiteit
- Seksuele gerichtheid
1.4.2 – geslachtsontwikkeling
De hersenen ontwikkelen zich tijdens de prenatale periode ook onder invloed van hormonen
De hersenen hebben dus ook 2 geslachten – m/v
Puberteit
Biologisch-lichamelijke achtergrond en refereert aan -> lichamelijke veranderingen
Adolescentie
- Psychologische achtergrond
1.4.3 – intersekse
Term voor mensen die geboren zijn met een lichaam dat niet past binnen de normatieve
definities van m/v zoals de maatschappij die hanteert.
Artsen hebben moeite met het geslacht vaststellen.
Niet bij iedereen meteen bij de geboorte zichtbaar, kan ook bij klachten over vruchtbaarheid.
40 verschillende vormen van intersekse, bijvoorbeeld;
- Verschillen in chromosomen
- Geslachtsklieren
- Anatomie
Intersekse gaat niet over seksuele oriëntatie of genderidentiteit.
1.5 gender
Gender wordt sociaal-cultureel bepaald
Bij gender gaat het over wat het betekent om man of vrouw te zijn, over:
- Verwachtingen van anderen
- De eigen ervaring
Seksualiteit
Gender Sekse
Driehoeksverhouding
Denken over seksualiteit leunt al snel op opvattingen mannelijkheid en vrouwelijkheid. Opvattingen
over mannelijkheid en vrouwelijkheid leunen op seksualiteit van mannen en vrouwen.
Transgenders:
- Mensen die zich niet thuis voelen in het geboorte toegewezen geslacht
, Cisgender:
- Mensen voelen zich thuis in het geboorte toegewezen geslacht – meeste mensen.
1.5.1 – heteronormativiteit
Verwijst naar het dominante stelsel van normen inzake mannelijkheid, vrouwelijkheid en
seksualiteit en daaraan gekoppelde praktijken en instituties.
Het is het idee, de overtuiging of aanname dat heteroseksualiteit de standaard en/of
natuurlijke toestand van de mens is.
Het gaat over verwachtingen vanuit de samenleving dat mannen zich seksueel en rationeel
uitsluitend aan vrouwen dienen te verbinden en andersom.
Het is een denkkader waarin seksueel gedrag en verwantschapsrelaties zo zijn georganiseerd
dat een specifiek regime van heteroseksualiteit de cultureel geaccepteerde ‘natuurlijke’ orde
wordt.
- Volgens het denkkader zijn er 2 complementaire (aanvullend op elkaar) en tegenover elkaar
staande genders met eigen sociale posities.
Kern van heteronormativiteit:
- Is gelegen in een opvatting dat vrouwelijke en mannelijke seksualiteit fundamenteel
verschillend en complementair (aanvullend op elkaar) zijn.
Voorbeeld:
Seksueel verlangen wordt iets gezien als actief en mannelijk. Complementair daaraan wordt het
vrouwelijk verlangen gezien als verleidelijk, passief object.
- Volgens de heteronormatieve cultuur wordt het niet vreemd gevonden als mannen meerdere
vrouwen verleiden en seks met hen hebben.
- Vrouwen die verleiden worden negatief gezien.
Voorbeeld:
Heteronormativiteit bevat ook cisgendernormativiteit:
- Het idee dat cisgender de standaard zijn en transgenders afwijken en abnormaal zijn.
1.5.3 – genderidentiteit en genderexpressie
Genderidentiteit:
- Het gevoel dat je een man, vrouw, iets daar tussenin, beide of geen van beide bent
- Dit gevoel kan al ontstaan in de eerste levensjaren, maar is een levenslang proces
- Het kan veranderen in de loop van een leven
Genderexpressie:
- Masculiene of feminiene gedrag dat een persoon vertoont, de manier waarop iemand zich
gedraagt, kleedt, spreekt, beweegt.
- Het is niet statisch en kan veranderen in de loop van een leven
- Voorbeeld jaren 60: meisjes droegen rokken
Mannen en vrouwen die zich qua genderexpressie androgyn uiten, worden soms geconfronteerd met
de weerstand. Hun genderexpressie wekt verwarring op bij mensen met conventionele
genderstereotypen.
1.5.4 – transgender persoon
Transgenders
- Voelen zich niet thuis in het bij geboorte toegewezen geslacht. Dit ontdekken ze in de loop
van hun jeugd of volwassen leven.
Les 1
Zimbardo – psychologie een inleiding - H7.3.1 (p. 291-292)
Overgangsritueel
- Kinderen in een niet industriële samenleving kennen geen fase van adolescentie. Kinderen
gaan na de kindertijd in een overgangsritueel – besnijdenis.
Lichaamsbeeld
- Het persoonlijke en subjectieve beeld van je eigen uiterlijk.
Van Iersel en van Wijngaarden
H1.2.3 (p.26-29)
‘positieve gezondheid’ volgens Huber
- Gezondheid is het vermogen van mensen zich aan te passen en eigen regie te voeren in het
licht van fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven.
6 pijlers van gezondheid:
1) Lichaamsfuncties 4) Kwaliteit van leven
o Medische feiten o Kwaliteit van leven/welbevinden
o Medische waarnemingen o Geluk beleven, genieten
o Ervaren gezondheid o Ervaren gezondheid
o Lichamelijk functioneren o Lekker in je vel zitten
o Klachten en pijn o Levenslust
o Energie o Balans
2) Mentaal welbevinden
o Cognitief functioneren 5) Sociaal-maatschappelijk participeren
o Emotionele toestand o Sociale en communicatieve vaardigheden
o Eigenwaarde en zelfrespect o Betekenisvolle relaties
o Gevoel controle te hebben ‘manageability’ o Sociale contacten
o Zelfmanagement en eigen regie o Geaccepteerd worden
o Veerkracht ‘resilience’ o Maatschappelijke betrokkenheid
o Je situatie begrijpen ‘comprehensibility’ o Betekenisvol werk
3) Zingeving 6) Dagelijks functioneren
o Zingeving/meaningfulness o Basis Algemeen Dagelijkse Levensverrichtingen
o Doelen/idealen nastreven (ADL)
o Toekomstperspectief o Instrumentele ADL
o Acceptatie o Werkvermogen
o Gezondheidsvaardigheden
Het biopsychosociaal model
- Klachten van mensen in kaart brengen door middel van het model;
,Les 2
Zimbardo – psychologie een inleiding - H7.3.2 t/m 7.3.4 (p.292-296)
Seksuele oriëntatie
- Heeft betrekking op het geslacht van de personen op wie men verliefd wordt, tot wie men
zich seksueel aangetrokken voelt en/of een relatie of seks mee heeft.
Formeel operationele fase
- De laatste fase van de cognitieve groei (Piaget)
- Het vermogen om abstract en complex te denken
- Tijdens deze fase komt het individu tot introspectie en begint het probleem te overdenken
Heemelaar – seksualiteit
H1.4 t/m 1.5.5 (p. 11 - 21)
H1.4 – geslacht
Geslacht
- Verwijst naar lichamelijke, biologische kenmerken
- Mannenlichaam, vrouwenlichaam of onduidelijk bij welk geslacht je ingedeeld kan worden
- Functie bij voortplanting – hormoonhuishouding, chromosomen en de in- en uitwendige
geslachtsorganen
Intersekse
- Toont aan dat mensen niet in 2 exclusieve geslachten is verdeeld; continuüm.
1.4.1 – het continuümmodel
Binaire beelden
- Man en vrouw
Mensen denken in het compartimentenmodel – hokjes denken
- Man of vrouw
- Homo- of heteroseksueel
- -> later biseksueel
Het continuümmodel
, - Rijke scala aan menselijke diversiteit op het gebied van:
- Geslachtsidentiteit
- Genderidentiteit
- Seksuele gerichtheid
1.4.2 – geslachtsontwikkeling
De hersenen ontwikkelen zich tijdens de prenatale periode ook onder invloed van hormonen
De hersenen hebben dus ook 2 geslachten – m/v
Puberteit
Biologisch-lichamelijke achtergrond en refereert aan -> lichamelijke veranderingen
Adolescentie
- Psychologische achtergrond
1.4.3 – intersekse
Term voor mensen die geboren zijn met een lichaam dat niet past binnen de normatieve
definities van m/v zoals de maatschappij die hanteert.
Artsen hebben moeite met het geslacht vaststellen.
Niet bij iedereen meteen bij de geboorte zichtbaar, kan ook bij klachten over vruchtbaarheid.
40 verschillende vormen van intersekse, bijvoorbeeld;
- Verschillen in chromosomen
- Geslachtsklieren
- Anatomie
Intersekse gaat niet over seksuele oriëntatie of genderidentiteit.
1.5 gender
Gender wordt sociaal-cultureel bepaald
Bij gender gaat het over wat het betekent om man of vrouw te zijn, over:
- Verwachtingen van anderen
- De eigen ervaring
Seksualiteit
Gender Sekse
Driehoeksverhouding
Denken over seksualiteit leunt al snel op opvattingen mannelijkheid en vrouwelijkheid. Opvattingen
over mannelijkheid en vrouwelijkheid leunen op seksualiteit van mannen en vrouwen.
Transgenders:
- Mensen die zich niet thuis voelen in het geboorte toegewezen geslacht
, Cisgender:
- Mensen voelen zich thuis in het geboorte toegewezen geslacht – meeste mensen.
1.5.1 – heteronormativiteit
Verwijst naar het dominante stelsel van normen inzake mannelijkheid, vrouwelijkheid en
seksualiteit en daaraan gekoppelde praktijken en instituties.
Het is het idee, de overtuiging of aanname dat heteroseksualiteit de standaard en/of
natuurlijke toestand van de mens is.
Het gaat over verwachtingen vanuit de samenleving dat mannen zich seksueel en rationeel
uitsluitend aan vrouwen dienen te verbinden en andersom.
Het is een denkkader waarin seksueel gedrag en verwantschapsrelaties zo zijn georganiseerd
dat een specifiek regime van heteroseksualiteit de cultureel geaccepteerde ‘natuurlijke’ orde
wordt.
- Volgens het denkkader zijn er 2 complementaire (aanvullend op elkaar) en tegenover elkaar
staande genders met eigen sociale posities.
Kern van heteronormativiteit:
- Is gelegen in een opvatting dat vrouwelijke en mannelijke seksualiteit fundamenteel
verschillend en complementair (aanvullend op elkaar) zijn.
Voorbeeld:
Seksueel verlangen wordt iets gezien als actief en mannelijk. Complementair daaraan wordt het
vrouwelijk verlangen gezien als verleidelijk, passief object.
- Volgens de heteronormatieve cultuur wordt het niet vreemd gevonden als mannen meerdere
vrouwen verleiden en seks met hen hebben.
- Vrouwen die verleiden worden negatief gezien.
Voorbeeld:
Heteronormativiteit bevat ook cisgendernormativiteit:
- Het idee dat cisgender de standaard zijn en transgenders afwijken en abnormaal zijn.
1.5.3 – genderidentiteit en genderexpressie
Genderidentiteit:
- Het gevoel dat je een man, vrouw, iets daar tussenin, beide of geen van beide bent
- Dit gevoel kan al ontstaan in de eerste levensjaren, maar is een levenslang proces
- Het kan veranderen in de loop van een leven
Genderexpressie:
- Masculiene of feminiene gedrag dat een persoon vertoont, de manier waarop iemand zich
gedraagt, kleedt, spreekt, beweegt.
- Het is niet statisch en kan veranderen in de loop van een leven
- Voorbeeld jaren 60: meisjes droegen rokken
Mannen en vrouwen die zich qua genderexpressie androgyn uiten, worden soms geconfronteerd met
de weerstand. Hun genderexpressie wekt verwarring op bij mensen met conventionele
genderstereotypen.
1.5.4 – transgender persoon
Transgenders
- Voelen zich niet thuis in het bij geboorte toegewezen geslacht. Dit ontdekken ze in de loop
van hun jeugd of volwassen leven.