Verpleegkundige
Disclaimer: Alle informatie uit deze samenvatting is een verzameling van bronnen, antwoorden en
aantekeningen uit lessen van de opleiding HBO-V aan de HvA, boeken van de opleiding HBO-V aan de HvA en
de Juf Daniëlle Academie.
Deze samenvatting bestaat uit de leerstof en leerdoelen van Theorie & Toepassing 1 (anatomie, fysiologie en
pathologie) en Theorie & Toepassing 2 (psychologie, psychiatrie en pathologie) van Module 2: De
Onderzoekende Verpleegkundige.
In deze samenvatting zijn ook links te vinden naar mijn zelfgemaakt Quizlets en naar Juf Daniëlle Academie
filmpjes.
1
,Inhoudsopgave
Week 1 – T&T1 .....................................................................................................................3
Week 1 – T&T2 .....................................................................................................................7
Week 2 – T&T1 .....................................................................................................................9
Week 2 – T&T2 ................................................................................................................... 14
Week 3 – T&T1 ................................................................................................................... 16
Week 3 – T&T2 ................................................................................................................... 20
Week 4 – T&T1 ................................................................................................................... 22
Week 4 – T&T2 ................................................................................................................... 25
Week 5 – T&T1 ................................................................................................................... 27
Week 5 – T&T2 ................................................................................................................... 29
Week 6 – T&T1 ................................................................................................................... 31
Week 6 – T&T2 ................................................................................................................... 33
2
,Week 1 – T&T1
1. De organen van het spijsverteringsstelsel benoemen en hun functies beschrijven.
- Spijsverteringsstelsel: De Basis – JufDanielle Academie
- Gal en Galwegen – JufDanielle Academie
- Pancreas – JufDanielle Academie
- Mond/keelholte: Spijsvertering begint in de mond, en wordt door de tong naar de keelholte geduwd.
- Oesophagus/slokdarm: Door ritmische contracties van de spieren in de oesophaguswand ontstaan
peristaltische golfbewegingen waardoor het meeste voedsel binnen 10 seconden naar de maag
wordt geduwd.
- Maag: Voedsel wordt gekneed en vermengd met maagsap.
- Dunne darm: Voedselbrij wordt voortbewogen door peristaltische
samentrekkingen van gladde spiercellen in de darmwand.
• Duodenum: Eerste deel van de dunne darm; pancreassap, gal en darmsap worden
toegevoegd aan voedselbrij.
• Jejunum: Hierin vindt het grootste deel van de spijsvertering plaats door
verteringsenzymen.
• Ileum: Laatste deel van de dunne darm; vooral van belang voor de opname van
vitamine B12 en galzure zouten.
- Dikke darm: Voedsel dat niet kan worden verteerd bereikt het uiteinde van de
dikke darm.
• Caecum: Eerste deel van de dikke darm; bevat de appendix wat lymfatisch
weefsel bevat.
• Caecum → Colon → Endeldarm → Anus.
- Pancreas: Alvleesklier.
• 3 delen: Kop, lichaam & staart.
o Kop ligt in bocht van duodenum.
o Lichaam ligt achter maag.
o Staart licht achter milt.
• Ductus pancreaticus: Vervoert productafscheiding van klierblaasjes (acini) naar papil van Vater.
o Ligt in het midden van de pancreas.
o Verbonden met de darm via de papil van Vater, waar ook de ductus choledochus bijkomt.
• Endocriene functie: Eilandjes van Langerhans geven hormonen direct af in het bloed, om de
bloedsuikerspiegel te reguleren.
o Eilandjes van Langerhans maken 3 belangrijke hormonen: Insuline, glucagon en
somatostatine.
• Exocriene functie: Klierblaasjes (acini) geven pancreasenzymen af in buisjes die uitkomen in
ductus pancreaticus, voor vertering in de darm.
o Pancreasenzymen spelen een rol bij vertering van koolhydraten, vetten en eiwitten.
o In acini 1 liter verteringssap aangemaakt per dag: Amylase (koolhydraten), lipase (vetten),
trypsine, chymotrypsine en carboxypeptidase (eiwitten).
▪ Verteringssap is basisch; helpt bij neutraliseren van
maagsap door HCO3-.
▪ Uitscheiding van pancreasenzymen wordt aangestuurd
door secretine, dit geeft de darm af als er maaginhoud in
de darm komt.
▪ Proenzymen: Enzymen worden gemaakt in hun inactieve
vorm, worden pas in de darm geactiveerd zodat ze eten
verteren i.p.v. de pancreas.
- Lever: Levercellen (hepatocyten) maken gal aan, tot wel 1 liter per dag. Produceert belangrijke
eiwitten, speelt een rol bij de productie van energie en opslag van brandstoffen, kan afvalstoffen
afbreken tot niet-schadelijk stoffen of deze direct afvoeren naar de darm, speelt een rol bij
omzetting van geneesmiddelen.
3
, - Galblaas: Trekt onder invloed van cholecystokinine samen en geeft gal via ductus cysticus af aan
ductus choledochus die uitmondt via de pupil van Vater in de twaalfvingerige darm.
• Gal: Vloeistof gemaakt door hepatocyten, die een rol speelt bij vertering en uitscheiding van
stoffen die we niet kunnen uitscheiden via de nier.
o Galzure zouten emulgeren vet; betere vertering en opname van vet.
o Cholesterol; gal is de enige manier om cholesterol effectief uit te scheiden uit het lichaam.
o Bilirubine: Afbraakproduct van hemoglobine uit rode bloedcellen; bilirubine + glucuronzuur
= conjugatie → uitscheiden.
o Water; om stoffen in op te lossen.
o Ionen: HCO3- = maagzuur neutraliseren; darm heeft niet dezelfde beschermlaag als de
maag, darm is erg gevoelig voor zure maaginhoud.
• Ductus hepaticus: Alle galkanalen samengevoegd; dexter +
sinister = communis.
o Galkanalen zitten tussen hepatocyten.
• Ductus choledochus: Vervoert gal richting darmen.
o Gal komt via papil van Vater in duodenum, doorgang van
duodenum wordt geregeld door een kringspier ‘sfincter
van Oddi’, waar ook ductus pancreaticus bijkomt.
• Ductus cysticus: Vervoert gal richting galblaas.
o Galblaaswand neemt water op uit gal → Gal is geconcentreerder → Gal kan op
piekmomenten snel te pas gaan.
o Galblaas trekt samen + cholecystokinine (hormoon) = Gal richting galblaas.
• Enterohepatische kringloop: Het opnemen van galzure zouten in het laatste deel van dunne
darm, en via poortader naar lever voor hergebruik in gal.
o 4-12 keer per dag, afhankelijk van wat en hoeveel je eet.
2. De vier lagen van de wand van het spijsverteringsstelsel beschrijven.
- Binnenste laag; slijmvlies → Bindweefsel → Spieren → Buitenste laag.
3. De processen van vertering en opname van voedingsstoffen beschrijven.
- Mond: Voedsel wordt gekauwd en gemengd met speeksel (bevat enzymen die beginnen met afbraak
van koolhydraten).
- Slokdarm: Gekauwde voedsel wordt via de slokdarm naar de maag vervoerd door peristaltische
bewegingen.
- Maag: Voedsel wordt verder afgebroken door maagzuur en enzymen die eiwitten afbreken, voedsel
wordt dikke vloeistof genaamd chyme.
- Dunne darm: Chyme komt in dunne darm waar de meeste vertering plaatsvindt; hier voegen
alvleesklier en leverenzymen en gal toe om vetten, eiwitten en koolhydraten verder af te breken.
- Opname: Wanden van de dunne darm absorberen de voedingsstoffen in de bloedbaan.
- Dikke darm: Wat overblijft gaat naar de dikke darm; water wordt opgenomen en de onverteerbare
resten worden voorbereid voor uitscheiding.
4. Oorzaken, symptomen, diagnostiek, behandeling en complicaties uitleggen van verschillende
aandoeningen van het spijsverteringsstelsel.
- Gastro-oesofageale reflux (GORZ): Aandoening waarbij de zure maaginhoud terugvloeit in de
slokdarm.
• Oorzaak: Multifactorieel; verhoogde intra-abdominale druk (overgewicht, zwangerschap),
verhoogde productie van maagzuur en een afwijking van mechanische barrière tegen reflux.
• Symptomen: Pyrosis of regurgitatie; zure maaginhoud vloeit terug naar mond, keelholte of
slokdarm na maaltijd of tijdens inspanning, pijnlijk of branderig gevoel achter borstbeen,
dysfagie/slikproblemen, heesheid; keelpijn, stemproblemen, keelontsteking, hoesten.
• Diagnostiek: Algemene anamnese, lichamelijk onderzoek
o Als behandeling van protonpompemmers geen effect heeft: Aanvullend onderzoek;
gastroscopie.
• Behandeling: Voorlichting en leefstijladviezen, medicamenteus, operatief (in ernstige gevallen).
4