2.1 Koers en kaart
● Koers = richting waarin je beweegt, aangegeven in graden.
○ Noord = 0° (of 360°), Oost = 90°, Zuid = 180°, West = 270°.
● Koers tekenen: vanuit een punt met een geodriehoek of kompas een lijn in de juiste
richting.
● Kaarten: schaal gebruiken om afstanden om te rekenen.
2.2 Hoogtelijnen
● Hoogtelijn = lijn op een kaart die alle punten met dezelfde hoogte verbindt.
● Regel: hoe dichter de hoogtelijnen bij elkaar liggen, hoe steiler de helling.
● Je moet hoogteverschillen kunnen aflezen en schatten.
2.3 Doorsnede en lichaamsdiagonaal
● Doorsnede = figuur dat ontstaat als je een ruimtefiguur doorsnijdt.
○ Voorbeelden: snede van een kubus of balk.
● Lichaamsdiagonaal = langste diagonaal in een balk of kubus, die door de ruimte
gaat (niet alleen op een vlak).
○ Berekening gaat met Pythagoras in 3D: eerst diagonaal van de bodem
berekenen, daarna met de hoogte de lichaamsdiagonaal uitrekenen.
2.4 Aanzicht
● Aanzicht = hoe een figuur eruitziet vanaf een bepaalde kant: