Begrippenlijst SWK 3:
Opvoeden: Iedere invloed die mensen bedoeld of onbedoeld uitoefenen op de ontwikkeling
en het functioneren van het kind.
Ontwikkelen: een stap voor stap proces waarin steeds meer mogelijkheden van een kind
zich ontplooien. Ont-wikkelen = uit zijn wikkel halen.
Zelfregulatief: Opvoeden gaat vanzelf, volwassenen hebben van nature een connectie met
baby’s en kinderen.
Proto conversatie: Proto = voor/ conversatie = praten. De conversatie voordat je gaat
praten. Samen naar een object kijken. Hoe je tegen een kind praat gaat vanzelf, ouder gaat
kind napraten, kind gaat ouder na doen. Vanuit nature communiceren volwassene op
hetzelfde niveau als het kind.
Co-regulatie: Met twee mensen samendoen. Samen vorm geven aan de opvoeding.
Voorbeeld: kind wil feestje geven en alcohol op het feest, ouders willen dit niet, ze verzinnen
samen een alternatief, door samenwerken ontstaat co-regulatie.
Adaptie: Aanpassen, je geeft samen vorm aan de opvoeding. Aanpassen naar een nieuwe
situatie, zoals bij de situatie hierboven bij co-regulatie.
Sensitief: Opmerken wat er speelt, gevoelig zijn voor signalen wat kind afgeeft.
Responsief: Reageren op wat er speelt, reageren op de signalen die worden gegeven.
Opvoedidealen: Ontstaan door: - Eigen opvoeding. – Eigen persoonlijkheidsontwikkeling. –
Het sociale netwerk. – De maatschappelijke en culturele omgeving.
, Opvoeddoelen: - Waarborgen van fysieke, sociale en emotionele welzijn. – Economische
competenties. – Culturele normen en waarden overdragen. – Autonomie (Nederlands).
Zorgen/vragen ouders: - Schoolprestaties. – Regels en grenzen. – Luisteren en
gehoorzamen. – Straffen en belonen. – Voeding. – Zindelijkheid. – Slapen. – Driftbui. –
Functioneren als ouder. – Spanning en stress buiten opvang.
Ouders vragen steun aan familie en vrienden, ze hebben behoefte aan advies, praktische en
emotionele steun.
Opvoedingsondersteuning Brede definitie: Ondersteunen van alle opvoeders van
voetbalcoach tot professionals jeugdzorg.
Opvoedingsondersteuning Smalle definitie: Ondersteunen van directe opvoeders.
Doel van opvoedondersteuning: Het voorkomen van problemen in de opvoeding. Het
helpen oplossen van bestaande zorgen en problemen. Het versterken van pedagogische
competenties en vaardigheden van ouders.
Algemene preventie: Voor alle ouders en kinderen in gewone opvoedsituaties.
Laagdrempelige reguliere problemen. Voorbeeld: Kind weigert groente te eten.
Selectieve preventie: Bedoeld voor gezinnen waar opvoedspanning is. Stadia verder dan
algemene. Voorbeeld: kind weigert helemaal te eten.
Geïndiceerde preventie: Bedoeld voor gezinnen in problematische opvoedsituaties. Zorgen
vanuit een instelling/professional. Voorbeeld: KDV of consultatiebureau maakt zich zorgen
om het kind.
Vormen van opvoedondersteuning: Informatie en voorlichting over ontwikkeling van
kinderen. Bevorderen van sociale steunen zelfhulp over omgang met kinderen. Vroegtijdige
signalering en verwijzing. Pedagogische advisering en begeleiding.
Opvoedondersteuning rondom huis: Partner, vrienden, familie, buren, opvoedtelefoon,
internet, vrijwilligers, KDV, consultatiebureau.
Opvoedondersteuning in de wijk/buurt: Kinderopvang, scholen, buurtcentra,
opvoedsteunpunt, ouder- en kind teams, allerlei projecten op buurt niveau.
Gezinsstructuur: Samenstelling van het gezin, hierbij horen de huidige lelden en mensen uit
het verleden en de kwaliteit van de relaties. Zijn ouders getrouwd? Op welke manier zijn de
kinderen in het gezin gekomen?
Kerngezin & normatief denken: Kerngezin met vader-moeder. Bestaat al heel lang, komt
meeste voor, meest onderzocht, kerngezin wordt zo de norm.
Afstandsmoeder: Een vrouw die tussen 1956 en 1984 afstand heeft moeten doen van hun
kind, vaak niet vrijwillig. Dit werd vaak aangespoord door de kerk, want niet getrouwd.