SILKE VAN OOSTRUM
Silke van Oostrum
[BEDRIJFSNAAM] [Bedrijfsadres]
,Inhoud
AFPF: ANATOMIE, FYSIOLOGIE PATHOLOGIE EN FARMAKUNDE .............................. 2
CASUS 1 ......................................................................................................................................... 2
CASUS 2A ....................................................................................................................................... 7
CASUS 2B ..................................................................................................................................... 14
CASUS 3 ....................................................................................................................................... 18
CASUS 4 ....................................................................................................................................... 24
CASUS 5 ....................................................................................................................................... 28
CASUS 6 ....................................................................................................................................... 32
1
,AFPF: ANATOMIE, FYSIOLOGIE PATHOLOGIE EN FARMAKUNDE
CASUS 1
De structuur en functies beschrijven van arteriën, venen en capillairen, alsmede de verschillen samenvatten
tussen deze verschillende soorten bloedvaten.
Arteriën: ze vervoeren bloed vanuit het hart en de omvang kan sterk variëren.
De wand bestaat uit 3 weefsellagen:
1. Tunica adventitia: of de buitenlaag van bindweefsel.
2. Tunica media: of middenlaag van glad spierweefsel en elastisch weefsel.
3. Tunica intima: of binnenlaag van plaveiselepitheel genaamd endotheel.
Venen: vervoeren bloed onder lage druk terug naar het hart.
De wanden bestaan uit dezelfde lagen als de slagaders, maar zijn dunner, wand de tunica media bevat minder
spier- en elastisch weefsel, omdat de druk in de aderen lager is.
- Sommige venen hebben kleppen om te voorkomen dat het bloed terugstroomt.
- De kleppen bestaat uit plooien van de tunica intima, verstevigd met bindweefsel.
- De klepbladen (slibben) zijn halvemaandvormig (semilunair) met de concave kant naar het hart.
De kleinste venen heten venulen. De venen heten capaciteitsvaten, omdat ze rekbaar zijn en dus een groot deel
van de bloedvoorraad kunnen bevatten.
Capillairen: de kleinste vaten, ook wel de haarvaten.
De wand bestaat uit een laag endotheelcellen op een dun membraan, water en andere kleine moleculen kunnen
daar doorheen passeren. Bloedcellen en grote moleculen dringen gewoonlijk niet door de capillaire wanden
heen.
Ze vormen een groot netwerk van vaatjes die de kleinste arteriolen en venulen met elkaar verbinden.
De verschillen: de grootste verschillen zit in de wand, deze is aangepast op de taak die de bloedvaten hebben.
De belangrijkste factoren benoemen die de diameter van bloedvaten reguleren.
- Sympathische zenuwen van het autonome zenuwstelsel: ontspringen aan het vasomotorisch centrum
in die medulla oblongata. Ze innerveren de tunica media van aders en slagaders en activiteit van deze
zenuwen kan die diameter van die bloedvaten veranderen. Die arteriolen worden hier het meest door
geregeld.
- Glad spierweefsel kan zorgen voor vasodilatatie of vasoconstrictie van bloedvaten. Het zij om de
bloeddruk te regelen of om de zuurstofvoorziening te regelen.
De mechanismen verklaren waarmee de uitwisseling van voedingsstoffen, gassen en afvalproducten tussen
het bloed en de weefsels plaatsvindt.
Autoregulatie = het vermogen van een orgaan om de eigen bloedstroom aan de behoeften aan te passen.
De bloedstroom door individuele organen wordt verhoogd d.m.v. vasodilatie en verlaagd d.m.v. vasoconstrictie.
Interne respiratie = het proces waarbij gassen worden uitgewisseld tussen capillair bloed en lokale
lichaamscellen.
2
, Zuurstof wordt gebonden aan hemoglobine en van de longen naar de weefsels vervoerd als oxyhemoglobine. De
uitwisseling in de weefsels vindt plaats tussen bloed aan de arteriële kant van de capillairen en het weefselvocht
en vervolgens tussen het weefselvocht en de cellen. Oxyhemoglobine valt snel uiteen waardoor het makkelijk
met de drukgradiënt verplaatst naar het weefsel wat zuurstof nodig heeft.
Koolstofdioxide is een afvalproduct van celmetabolisme en diffundeert op basis van de drukgradiënt. Het bloed
vervoert de koolstofdioxide op 3 manieren:
1. Opgelost in het water van het bloedplasma.
2. In chemische combinatie met natrium in de vorm van natriumbicarbonaat.
3. Restant in combinatie met hemoglobine.
Overige stoffen
Alle lichaamscellen hebben voedingsstoffen nodig die door het bloedplasma getransporteerd worden. Zij
diffunderen door de semipermeabele capillairwand door de weefsels. Water wisselt vrij van het plasma en
weefselvloeistof door osmose.
Uitleggen welk effect de hydrostatische en osmotische druk hebben op de waterverplaatsing tussen capillairen
en weefsels.
Hydrostatische druk: perst vocht uit de bloedbaan.
Osmotische druk: trekt vocht aan en wordt in stand gehouden door de aanwezige plasma-eiwitten.
De hydrostatische druk (tensie) die vocht uit de bloedbaan perst en de osmotische druk van het bloed die vocht
aantrekt, bepalen de algehele vochtbeweging door die capillairwand. Aan het arteriële uiteinde is de
hydrostatische druk hoger dan de osmotische druk en gaat er dus vocht uit de capillair. Bij het veneuze uiteinde
is de bloedstroom trager. Die hydrostatische druk is juist lager dan de osmotische druk omdat plasma-eiwitten
achterblijven, waardoor er vocht terug de capillair in stroomt. Van de 24L vocht stroomt er 21L terug de
bloedstroom in. De rest stroomt de weefselruimte uit door kleine lymfecapillairen en vindt uiteindelijk weer een
weg terug naar de bloedstroom.
De structuur van het hart en de positie ervan in de thorax beschrijven.
Het hart is een kegelvormig, hol, gespierd orgaan. Ongeveer 10cm lang en heeft de omvang van de omvang is de
vuist van de eigenaar.
De structuur: de hartwand bestaat uit 3 weefsellagen: pericard, myocard en endocard.
1. Het pericard is de buitenste laag en bestaat uit 2 zakjes. De buitenste zak (pericardium fibrosum) bestaat
uit een stevig bindweefsellaag en de binnenste (pericardium serosum) uit een dubbelbladig sereuze
laag. Het pericardium fibrosum is een voortzetting van de tunica adventitia (de buitenste vaatwand) van
de grote bloedvaten erboven en is gedeeltelijk vergroeid met het ondergelegen diafragma.
De buitenste lag van de pericardium serosum bekleed de binnenzijde van de pericardium fibrosum. De
binnenlaag (het viscerale pericard) is een voortzetting van het pariëtale pericard en bekleedt de
buitenkant van de myocard. De sereuze membraan bestaat uit 1 laag platte epitheelcellen.
2. Het myocard bestaat uit een gespecialiseerd dwarsgestreept hartspierweefsel. Elke vezel (cel) heeft een
nucleus en een of meer vertakkingen, deze staan nauw in contact met omliggende cellen. De vezels
lopen in elkaar over waardoor het op een schijf lijkt (intercalaire schijven) doordat de vezels in elkaar
overlopen heeft niet elke vezel een eigen zenuwtoevoer nodig. Hierdoor kunnen de atria en ventrikels
op een gecoördineerde en efficiënte manier samentrekken. De myocard is het dikst bij het hartpunt en
wordt dunner richting de basis.
3