Week 1
IVRK: Interventies moeten het beoogde resultaat kunnen bereiken zonder dat er kans is p
stigmatisering of andere vormen van schade aan het kind.
Rapport Hendriks & Stamps (2024)
Investeer in interventies die gericht zijn op het individu in plaats van op groepen die
elkaar negatief beïnvloeden;
Investeer in erkende en effectieve ouderschapsprogramma’s;
Investeer voor interventies voor algemene delinquentie, omdat deze voor een deel ook
effectief zijn voor specifieke vormen en verschillende doelgroepen;
Investeer in selectieve interventies die weinig intensief en of kortdurend zijn: “less is
more”;
Investeer bij geïndiceerde preventie in multimodale behandelingen die zich richten op
verschillende risicofactoren en gebruik maken van een systemische en individuele
gedragstherapeutische aanpak;
Investeer alleen in geïndiceerde interventies gebaseerd op gedegen risicotaxatie, en
laat deze bij voorkeur uitvoeren door een forensische zorginstelling die gebruik maakt
van een multidisciplinair team.
Awareness programs: geen effect.
Van der Put, Assink, Gubbels & Broekhout van Solinge (2018)
De studie vond dat interventies gericht op het voorkomen van kindermishandeling een kleine
maar significante impact hebben (licht positieve invloed).
Preventieve interventies: een gemiddelde effectgrootte (d = 0,263): oudertraining en
korte interventies gericht op vergroten van zelfvertrouwen van ouders;
Curatieve interventies: gemiddelde effectgrootte (d = 0, 364): programma’s gericht op
verbeteren van opvoedingsvaardigheden en het bieden van sociale steun.
Interventies zijn effectiever bij gezinnen waar al sprake is van kindermishandeling.
Significant modererend effect voor ouderschapstrainingen en
middelenmisbruikinterventies, lager effect voor thuisbezoeken;
Curatieve interventies: thuisbezoeken, oudertraining, multisystemische interventies en
cognitieve gedragstherapie.
Voor preventieve interventies bleken quasi-experimentele ontwerpen effectiever dan
RCT’s en langere follow-up periodes gekoppeld met grotere effecten.
Curatieve interventies waren grotere steekproeven en hoger percentage culturele
minderheden geassocieerd met kleine effecten.
Interventies uitgevoerd door professionals en kortere looptijden hadden grotere
effecten.
De onderzoekers vonden sterke effecten bij preventieve interventies wanneer het onderzoek
gebaseerd was op quasi-experimentele onderzoeksdesign doordat deze vaak een minder
,strenge toewijzingsmethode hebben dan RCT’s, wat kan leiden tot selectieverschillen tussen
de interventie- en controle groepen. De selectieverschillen kunnen positief effect hebben op
de uitkomsten wat leidt tot een overschatting in vergelijking tot RTC’s waar willekeurige
toewijzing plaats vindt.
Met het “sleeper effect” bedoelen onderzoekers dat de positieve effecten van preventie
interventies pas na verloop van tijd merkbaar worden, zelfs als ze op korte termijn niet
zichtbaar zijn. Interventies hebben pas later significante impact omdat het tijd kost
gedragsveranderingen en verbeteringen in opvoedingsvaardigheden tot resultaten leiden.
Voordelen kunnen na een langere perioden manifesteren, wat verklaard dat sterkere effecten
worden gevonden in studies met langere follow-up perioden.
Kortere interventies zijn effectiever door gerichtheid en intensiviteit wat leidt tot meer
betrokkenheid en naleving. Langere interventies hebben meer uitval van deelnemers en
verminderde focus na verloop van tijd.
Empowerment werkt minder goed in curatieve/behandelprogramma’s doordat ze gericht zijn
op aanpakken van ernstige aanhoudende problemen. terwijl curatieve interventies zich richten
op praktische opvoedingsvaardigheden en emotionele ondersteuning wat directer effect heeft
in crisissituaties.
Hoofdstuk 24 Hendriks: Ingrijpen in gezinnen
Gronden voor OTS: 1. een minderjarige zodanig opgroeit dat in zijn ontwikkeling wordt
bedreigt; 2. de zorg in wordt door de minderjarige of zijn ouders die het gezag uitoefenen niet
of onvoldoende geaccepteerd; 3. de verwachting is dat de ouders op een voor het kind
aanvaardbar termijn weer de zorg op zich kan nemen.
Twee voorwaarden waaraan de gronden voor interventie moeten voldaan:
1. In minimale termen geformuleerd moeten worden (effectief onderzoek);
2. Moet verwijzing naar het opvoedende handelen van ouders.
Hoofdstuk 45 Hendriks: Interventies gericht op sociale vaardigheden
Voor sociale vaardighedentrainingen (SoVa), als Tools4U, werd alleen voor delinquent gedrag
en sociale vaardigheden een klein significant effect gevonden. Voor externaliserend een
internaliseerde problemen werd geen verschil gevonden. De effecten zijn dus beperkt, wat
komt door het feit dat voor de onderzochte interventies het onduidelijk was in hoeverre de
training werd uitgevoerd zoals bedoeld, terwijl bekend is dat een hoge programma-integriteit
juist tot grotere behandeleffecten leidt. Moet voornamelijk worden ingezet bij enigszins
gemotiveerde) minder ernstig delinquente jongeren (met minimaal niveau van empathie), er
is geen effect op recidive vermindering.
Week 2
, RvdK:
Geeft advies bij strafrechtelijke zaken en raad (ketenpartners of) de rechter aan civiele zaken
op basis van het LIJ (risicofactoren).
Hoofdstuk 20: Het landelijk Instrumentarium Jeugdstrafketen (LIJ)
Het RNR-model leidt tot een recidive vermindering van 35%. Risicobeginsel,
behoefteprincipe en responsiviteitbeginsel.
Fase 1: preselectie:
1. Of de jongere moet worden doorverwezen naar bureau Halt of dat er een proces
verbaal moet worden gemaakt en;
2. Of een zorgmelding wordt gedaan bij Veilig Thuis.
In deze fase wordt niet geïndiceerd voor een strafrechtelijk interventie en het is nog niet
noodzakelijk de criminogene behoeften, responsiviteit en beschermende factoren in kaart te
brengen.
Preselect recidive: Risico op recidive op basis van registratie systeem van de politie;
Preselect zorg: risico op toekomstige zorgwekkende opgroei- en opvoedingssituatie op
basis van registratie systeem van de politie.
Fase 2: informatie verzameld door RvdK, Halt, JR, NIFT:
Ritax a: het doel een risicoprofiel op te stellen en te bepalen of aanvullend onderzoek
nodig is en bepalen of een niet primair op gedragsverandering gericht straf volstaat uit
oogpunt van recidivevermindering; en of er zorgsignalen zijn en of aanvullend
diagnostiek van het NIFT nodig is;
Ritax b: aanvullend uitgebreid onderzoek/screeninginstrument voor als er op meerdere
domeinen zorgsignalen of problemen zijn bij een Ritax a van “midden” of “hoog” op
minimaal één domein of een inbewaringstelling.
In Ritax b worden beschermende factoren in beeld gebracht: geestelijke
gezondheid en alcohol- en drugsgebruik (LIJ) hebben er geen.
Worden ingevuld op basis van dossieranalyse, interviews met ouders, en informatie van
schoolmentor.
Attitude: Accepteren van verantwoordelijk gedrag en respect van eigendom van
anderen.
Instrumenten Ritax a en b hebben een acceptabele voorspellende kracht en scoren beter dan
andere internationale instrumenten.
Derde fase: interventie:
De interventie wordt verzameld door de JR en of JJI met als doelen: 1. Bepalen of er sprake is
van zorgsignalen en NIFT ingeschakeld moet worden; 2. Keuze voor een passende
IVRK: Interventies moeten het beoogde resultaat kunnen bereiken zonder dat er kans is p
stigmatisering of andere vormen van schade aan het kind.
Rapport Hendriks & Stamps (2024)
Investeer in interventies die gericht zijn op het individu in plaats van op groepen die
elkaar negatief beïnvloeden;
Investeer in erkende en effectieve ouderschapsprogramma’s;
Investeer voor interventies voor algemene delinquentie, omdat deze voor een deel ook
effectief zijn voor specifieke vormen en verschillende doelgroepen;
Investeer in selectieve interventies die weinig intensief en of kortdurend zijn: “less is
more”;
Investeer bij geïndiceerde preventie in multimodale behandelingen die zich richten op
verschillende risicofactoren en gebruik maken van een systemische en individuele
gedragstherapeutische aanpak;
Investeer alleen in geïndiceerde interventies gebaseerd op gedegen risicotaxatie, en
laat deze bij voorkeur uitvoeren door een forensische zorginstelling die gebruik maakt
van een multidisciplinair team.
Awareness programs: geen effect.
Van der Put, Assink, Gubbels & Broekhout van Solinge (2018)
De studie vond dat interventies gericht op het voorkomen van kindermishandeling een kleine
maar significante impact hebben (licht positieve invloed).
Preventieve interventies: een gemiddelde effectgrootte (d = 0,263): oudertraining en
korte interventies gericht op vergroten van zelfvertrouwen van ouders;
Curatieve interventies: gemiddelde effectgrootte (d = 0, 364): programma’s gericht op
verbeteren van opvoedingsvaardigheden en het bieden van sociale steun.
Interventies zijn effectiever bij gezinnen waar al sprake is van kindermishandeling.
Significant modererend effect voor ouderschapstrainingen en
middelenmisbruikinterventies, lager effect voor thuisbezoeken;
Curatieve interventies: thuisbezoeken, oudertraining, multisystemische interventies en
cognitieve gedragstherapie.
Voor preventieve interventies bleken quasi-experimentele ontwerpen effectiever dan
RCT’s en langere follow-up periodes gekoppeld met grotere effecten.
Curatieve interventies waren grotere steekproeven en hoger percentage culturele
minderheden geassocieerd met kleine effecten.
Interventies uitgevoerd door professionals en kortere looptijden hadden grotere
effecten.
De onderzoekers vonden sterke effecten bij preventieve interventies wanneer het onderzoek
gebaseerd was op quasi-experimentele onderzoeksdesign doordat deze vaak een minder
,strenge toewijzingsmethode hebben dan RCT’s, wat kan leiden tot selectieverschillen tussen
de interventie- en controle groepen. De selectieverschillen kunnen positief effect hebben op
de uitkomsten wat leidt tot een overschatting in vergelijking tot RTC’s waar willekeurige
toewijzing plaats vindt.
Met het “sleeper effect” bedoelen onderzoekers dat de positieve effecten van preventie
interventies pas na verloop van tijd merkbaar worden, zelfs als ze op korte termijn niet
zichtbaar zijn. Interventies hebben pas later significante impact omdat het tijd kost
gedragsveranderingen en verbeteringen in opvoedingsvaardigheden tot resultaten leiden.
Voordelen kunnen na een langere perioden manifesteren, wat verklaard dat sterkere effecten
worden gevonden in studies met langere follow-up perioden.
Kortere interventies zijn effectiever door gerichtheid en intensiviteit wat leidt tot meer
betrokkenheid en naleving. Langere interventies hebben meer uitval van deelnemers en
verminderde focus na verloop van tijd.
Empowerment werkt minder goed in curatieve/behandelprogramma’s doordat ze gericht zijn
op aanpakken van ernstige aanhoudende problemen. terwijl curatieve interventies zich richten
op praktische opvoedingsvaardigheden en emotionele ondersteuning wat directer effect heeft
in crisissituaties.
Hoofdstuk 24 Hendriks: Ingrijpen in gezinnen
Gronden voor OTS: 1. een minderjarige zodanig opgroeit dat in zijn ontwikkeling wordt
bedreigt; 2. de zorg in wordt door de minderjarige of zijn ouders die het gezag uitoefenen niet
of onvoldoende geaccepteerd; 3. de verwachting is dat de ouders op een voor het kind
aanvaardbar termijn weer de zorg op zich kan nemen.
Twee voorwaarden waaraan de gronden voor interventie moeten voldaan:
1. In minimale termen geformuleerd moeten worden (effectief onderzoek);
2. Moet verwijzing naar het opvoedende handelen van ouders.
Hoofdstuk 45 Hendriks: Interventies gericht op sociale vaardigheden
Voor sociale vaardighedentrainingen (SoVa), als Tools4U, werd alleen voor delinquent gedrag
en sociale vaardigheden een klein significant effect gevonden. Voor externaliserend een
internaliseerde problemen werd geen verschil gevonden. De effecten zijn dus beperkt, wat
komt door het feit dat voor de onderzochte interventies het onduidelijk was in hoeverre de
training werd uitgevoerd zoals bedoeld, terwijl bekend is dat een hoge programma-integriteit
juist tot grotere behandeleffecten leidt. Moet voornamelijk worden ingezet bij enigszins
gemotiveerde) minder ernstig delinquente jongeren (met minimaal niveau van empathie), er
is geen effect op recidive vermindering.
Week 2
, RvdK:
Geeft advies bij strafrechtelijke zaken en raad (ketenpartners of) de rechter aan civiele zaken
op basis van het LIJ (risicofactoren).
Hoofdstuk 20: Het landelijk Instrumentarium Jeugdstrafketen (LIJ)
Het RNR-model leidt tot een recidive vermindering van 35%. Risicobeginsel,
behoefteprincipe en responsiviteitbeginsel.
Fase 1: preselectie:
1. Of de jongere moet worden doorverwezen naar bureau Halt of dat er een proces
verbaal moet worden gemaakt en;
2. Of een zorgmelding wordt gedaan bij Veilig Thuis.
In deze fase wordt niet geïndiceerd voor een strafrechtelijk interventie en het is nog niet
noodzakelijk de criminogene behoeften, responsiviteit en beschermende factoren in kaart te
brengen.
Preselect recidive: Risico op recidive op basis van registratie systeem van de politie;
Preselect zorg: risico op toekomstige zorgwekkende opgroei- en opvoedingssituatie op
basis van registratie systeem van de politie.
Fase 2: informatie verzameld door RvdK, Halt, JR, NIFT:
Ritax a: het doel een risicoprofiel op te stellen en te bepalen of aanvullend onderzoek
nodig is en bepalen of een niet primair op gedragsverandering gericht straf volstaat uit
oogpunt van recidivevermindering; en of er zorgsignalen zijn en of aanvullend
diagnostiek van het NIFT nodig is;
Ritax b: aanvullend uitgebreid onderzoek/screeninginstrument voor als er op meerdere
domeinen zorgsignalen of problemen zijn bij een Ritax a van “midden” of “hoog” op
minimaal één domein of een inbewaringstelling.
In Ritax b worden beschermende factoren in beeld gebracht: geestelijke
gezondheid en alcohol- en drugsgebruik (LIJ) hebben er geen.
Worden ingevuld op basis van dossieranalyse, interviews met ouders, en informatie van
schoolmentor.
Attitude: Accepteren van verantwoordelijk gedrag en respect van eigendom van
anderen.
Instrumenten Ritax a en b hebben een acceptabele voorspellende kracht en scoren beter dan
andere internationale instrumenten.
Derde fase: interventie:
De interventie wordt verzameld door de JR en of JJI met als doelen: 1. Bepalen of er sprake is
van zorgsignalen en NIFT ingeschakeld moet worden; 2. Keuze voor een passende