Zelfstudie week 1
Houd bij de zelfstudie in de gaten dat wat betreft de farmaca de volgende klassen farmaca van
belang zijn:
• Bèta-blokkers:
Beta-1-receptoren: hart (verlaging hartslag en bloeddruk)
Beta-2-receptoren: spierweefsels van de luchtwegen, bloedvaten en baarmoeder (aanspannen van
de spier → luchtwegen en bloedvaten verwijden)
Beta-3-receptoren: vetweefsel
Door deze receptoren te blokkeren, verminderen bètablokkers de effecten van adrenaline en
noradrenaline, wat resulteert in een lagere hartslag en een lagere bloeddruk.
Bijwerkingen: vermoeidheid, duizeligheid, slapeloosheid, koude handen en voeten, zweten,
depressie, droge mond of ogen, en gewichtstoename
• Calciumantagonisten
Blokkeren de calciumkanalen. Hierdoor wordt in de instroom van calcium in de spiervezels
verhinderd. Hierdoor ontspannen de spieren in de wanden van de bloedvaten zich → bloeddruk
omlaag. Ook wordt de snelheid van de hartslag verminderd, omdat de prikkelgeleiding in het hart
wordt vertraagd.
Bijwerkingen: hoofdpijn, duizeligheid, opgezwollen enkels, warmtegevoel en blozen, misselijkheid.
• RAAS-remmers
RAAS-remmers grijpen aan op het RAAS-systeem:
Renine wordt geproduceerd door de nieren bij een lage bloeddruk. Renine zorgt voor de omzetting
van angiotensinogeen naar angiotensine I. Het Angiotensin Converting Enzyme (ACE) zet
angiotensine I om in angiotensine II. Dit zorgt voor vasoconstrictie, aldosteronvrijzetting en
bloeddrukverhoging.
Androsteron wort door de bijnieren afgegeven. Hierdoor houden de nieren natrium (en dus) water
vast wat de bloeddruk verder verhoogt.
,o ACE-inhibitoren
Het ACE wordt geremd, waardoor angiotensine I niet wordt omgezet naar angiotensine II.
→ Vasoconstrictie wordt hierdoor tegengegaan en de bloeddruk daalt.
o AT1 antagonisten (ook wel ARB genoemd)
Het blokkeren van de AT1-receptor, waardoor angiotensine II niet kan binden en zijn effect niet kan
uitvoeren.
→ Vasoconstrictie wordt tegengegaan en de bloeddruk daalt.
o Renine-inhibitoren
Remmen de activiteit van renine, waardoor angiotensinogeen niet kan worden omgezet in
angiotensine I.
→ Verlaagt de productie van angiotensine II en daardoor ook de bloeddruk
o Aldosteron receptor antagonisten (ook wel mineralocorticoid receptor antagonisten genoemd)
Het blokkeren van de effecten van aldosteron op zijn receptor, waardoor natrium- en waterretentie
wordt verminderd.
→ Verlaagt de bloeddruk en vermindert de vochtophoping.
• Diuretica
Diuretica, ook wel plaspillen genoemd, zijn geneesmiddelen die
helpen bij het afvoeren van overtollig vocht en zout uit het
lichaam via de urine. Dit proces vermindert het totale
bloedvolume en daardoor ook de bloeddruk.
→ Diuretica zorgen ervoor dat er meer zout uit het bloed wordt
gefilterd en via de urine wordt uitgescheiden.
→ Diuretica bevorderen de uitscheiding van water door de
nieren, wat resulteert in meer urineproductie.
o Lisdiuretica
Deze diuretica werken in de lus van Henle in de nieren en zorgen
voor een aanzienlijke uitscheiding van water en elektrolyten.
→ Vermindert vochtophoping en verlaagt daarmee de bloeddruk.
o Thiazides
Deze diuretica werken in de distale tubulus van de nieren en verhogen de uitscheiding van natrium
en water.
→ Vermindert het bloedvolume en daarmee gaat de bloeddruk omlaag.
o Aldosteron receptor antagonisten
De effecten van het hormoon aldosteron worden geremd, Natrium en waterretentie wordt
verminderd.
→ Verminderen vochtretentie en natriumopname, wat leidt tot lagere bloeddruk.
,Kernbegrippen week 1
Hemodynamica: de circulatie van het bloed door het cardiovasculaire systeem.
Slagaderen (arteriën): vervoeren zuurstofrijk bloed van het hart naar de
weefsels. Ze hebben dikke elastische wanden die hoge druk kunnen
weerstaan.
→ Wand: de tunica intima (endotheelcellen), tunica media (gladde spiercellen
= dikke laag), en tunica externa (bindweefsel).
Aderen (Venen):
Dikke wanden, maar minder elastisch en dunner dan de arteriën. Ze bevatten
kleppen die ervoor zorgen dat het zuurstofarme bloed niet terug de weefsels
in kan stromen en naar het hart gaat.
Cardiale Cyclus
Systole: De fase waarin de ventrikels samentrekken om bloed in de arteriën te pompen. Bestaat uit
de ventriculaire contractie en het uitstoten van bloed.
Diastole: De fase waarin de ventrikels ontspannen en zich vullen met bloed uit de atria. Bestaat uit de
ventriculaire relaxatie en vulling.
EDV (Eindiastolische Volume): Het volume bloed in de ventrikels aan het einde van de diastole,
voordat de hartcontractie begint. Dit is een maat voor hoe vol het hart is net voordat het samentrekt.
ESV (Eindsystolische Volume): Het volume bloedt dat achterblijft in de ventrikels na de systole. Dit
geeft aan hoeveel bloed er na een contractie in het hart achterblijft.
SV (Slagvolume): Het volume bloed dat door een ventrikel wordt uitgepompt per hartslag. Het wordt
berekend door het verschil tussen EDV en ESV: SV = EDV - ESV.
CO (Cardiac Output): Het totale volume bloed dat per minuut door het hart wordt gepompt.
CO = SV (slagvolume) x HR (hartslagfrequentie).
HR (hartslagfrequentie): Het aantal hartslagen per minuut. Het is een directe factor in het bepalen
van het cardiac output.
Preload: De mate van rek op de ventrikels aan het einde van de diastole, voornamelijk beïnvloed
door het EDV. Hoe meer bloed er de ventrikels vult, hoe groter de preload.
Afterload: De weerstand waartegen het hart moet pompen om bloed uit de ventrikels te laten
stromen. Dit wordt voornamelijk beïnvloed door de arteriële druk en de weerstand in de perifere
bloedvaten.
, Inotropie: De contractiliteit van het hart, oftewel het vermogen van het hart om krachtiger samen te
trekken onafhankelijk van preload of afterload. Positieve inotropie verhoogt de contractiekracht,
terwijl negatieve inotropie deze verlaagt.
Frank-Starling mechanisme: Het principe dat stelt dat de kracht van de hartcontractie toeneemt met
een toename van de vulling van het hart (EDV). Een grotere rek van de hartspiervezels leidt tot een
krachtigere contractie.
Soorten en functie van bloedvaten
Arteriën: Dikke wanden met gladde spieren en elastisch weefsel, vervoeren zuurstofrijk bloed van
het hart naar de weefsels.
Arteriolen: Kleinere vertakkingen van arteriën, die de bloedstroom naar capillairen reguleren door
vasodilatatie en vasoconstrictie.
Capillairen: Zeer dunne wanden die uitwisseling van zuurstof, voedingsstoffen en afvalstoffen tussen
bloed en weefsels mogelijk maken.
Venulen: Kleine bloedvaten die bloed van de capillairen naar de venen vervoeren.
Venen: Draag bloed terug naar het hart. Ze hebben kleppen die terugstroming van het bloed
voorkomen.
TPR (Total Perifere Resistance): De totale weerstand die het bloed ondervindt in het arteriële
systeem. Het wordt beïnvloed door de diameter van de bloedvaten, de viscositeit van het bloed en
de lengte van de bloedvaten.
Wet van Poiseuille
MAP (Gemiddelde Arteriële Bloeddruk): De gemiddelde bloeddruk in de arteriën gedurende een
hartcyclus. Berekening: MAP = CO x TPR of MAP ≈ DBP + 1/3(SBP - DBP), waarbij:
o DBP: Diastolische Bloeddruk
o SBP: Systolische Bloeddruk
Voor de hartcontractie schuiven de actine
en myosine filamenten over elkaar wat
ervoor zorgt dat er een samentrekking
kan plaatsvinden. Troponine helpt hierbij.