-> aantal woorden onderaan vermelden!
Structuur:
BUC:
-> B = bewering (je argument)
-> U = uitleg, toelichting, voorbeelden bij het argument
-> C = conclusie van de alinea – kom op het argument terug, herhaal het
in andere
woorden en koppel terug aan je mening.
Gebruik signaal- en verbindingswoorden.
Titel = standpunt moet je eruit kunnen halen
Inleiding = introductie onderwerp + standpunt geven (mijn mening is, ik
vind)
-> 75-100 woorden
Kern = alinea 2: eerste argument (als eerste, ten eerste, allereerst) ->
BUC (voor)
alinea 3: tweede argument (daarnaast, bovendien, verder) ->
BUC (voor)
alinea 4: tegenargument (2 zinnen) + weerlegging (aan de
andere kant, toch,
maar) -> BU (tegen) (geen conclusie geven!)
Slot = kort en krachtig herhalen van argumenten + standpunt (al met al,
kortom,
samenvattend, concluderend)
Grammatica:
Hen en hun:
-> hen gebruik je als lijdend voorwerp of na een voorzetsel
-> hun gebruik je als meewerkend voorwerp zonder voorzetsel, als je
‘aan’ erbij kunt
denken maar het staat er niet bij, gebruik je ‘hun’
Komma’s = opsommingen, voor voegwoorden als ‘maar’, ‘of’, ‘want’,
‘dus’, na een
bijwoord, bij tussenzinnen of extra informatie.
Aan elkaar en los:
-> aan elkaar = samenstellingen (school + tas = schooltas)
-> los = combinatie van werkwoord en voorzetsel, bijvoeglijk naamwoord
en zelfstandig
werkwoordelijke uitdrukkingen
Is het één betekenis? -> aan elkaar (langeafstandsloper)
Is het nog los te begrijpen? -> los (lange afstand)
-> ‘-‘ gebruik je bij klinkerbotsing (auto-ongeluk), samenstellingen met
afkortingen en
cijfers (3D-printer, A4-papier)