Week 1 & 2
SP: Baumeister, R. F., & Leary, M. R. (1995). The need to belong: Desire for interpersonal
attachments as a fundamental human motivation.
Dit artikel ontwikkelt en evalueert de hypothese dat de behoefte om erbij te horen een
fundamentele menselijke motivatie is die helpt literatuur over interpersoonlijk gedrag te
begrijpen en integreren. De hypothese stelt dat mensen een diepgaande drang hebben om
duurzame, positieve en betekenisvolle interpersoonlijke relaties aan te gaan en te
onderhouden. De criteria zijn: een behoefte aan frequente en plezierige interacties met andere
mensen en het plaatsvinden van deze interacties met zorg voor elkaars welzijn. Hierbij is
wederkerigheid wenselijk maar niet essentieel. Interacties met verschillende mensen zijn
minder bevredigend, net zoals binding zonder frequent contact. Een gebrek aan erbij horen
zou een ernstige tekortkoming moeten vormen, met diverse schadelijke gevolgen.
Volgens de onderzoekers moet een fundamentele motivatie universeel zijn, onafhankelijk van
andere motieven, emotionele en cognitieve gevolgen hebben, doelgericht gedrag uitlokken en
negatieve effecten veroorzaken wanneer ze wordt gefrustreerd.
Vervanging en bevrediging zijn twee centrale kenmerken van motivatie. Mensen worden
doorgaans gemotiveerd om sociale banden aan te gaan totdat ze een bepaald aantal relaties
hebben opgebouwd; daarna neemt die behoefte vermoedelijk af. De sociale partners binnen
deze relaties zouden tot op zekere hoogte uitwisselbaar moeten zijn.
Op basis van de eerder besproken criteria concluderen de onderzoekers dat de behoefte om
erbij te horen aangeboren moet zijn. Hoewel er culturele en individuele verschillen bestaan in
hoe deze behoefte wordt ervaren en vormgegeven, zou het voor een cultuur vrijwel
onmogelijk moeten zijn om deze behoefte volledig uit te bannen.
De aangeboren behoefte om erbij te horen heeft waarschijnlijk een evolutionaire oorsprong,
omdat verbondenheid zowel overleving als voortplanting bevordert en groepslidmaatschap
bescherming biedt in gevaarlijke situaties. Volwassenen die een hechting hebben gevormd,
hebben doorgaans meer kans op voortplanting, en langdurige relaties vergroten de kans dat
kinderen volwassen worden en zich ook voortplanten. Sociale banden bieden dus voordelen
bij het beschermen van zichzelf en het behouden van middelen. Evolutionaire selectie heeft
psychologische mechanismen gevormd die mensen stimuleren sociale relaties aan te gaan,
waardoor sociaal isolement negatieve en verbondenheid positieve gevoelens oproept.
De hypothese van de behoefte om erbij te horen kan worden onderscheiden van een behoefte
aan louter sociaal contact met de vraag of interacties met vreemden of mensen die men niet
mag, de behoefte zou bevredigen. Positieve affecten volgen uit het vormen en onderhouden
van sociale banden, negatieve affecten bij bedreiging of verlies. De behoefte neemt af bij
verzadiging. Favoritisme kan zelfs bij kleine, ogenschijnlijk onbelangrijke groepen ontstaan,
en nabijheid vergemakkelijkt het vormen van duurzame relaties. Het lijkt er ook op dat er
,zelfs onder ongunstige omstandigheden positieve binding ontstaat. De ontwikkeling van
interpersoonlijke aantrekkingskracht onder angstige omstandigheden kan verklaard worden in
zowel termen van misattributie als de bekrachtigingstheorie. Dit laatste stelt dat er sterke
aanwijzingen zijn dat de aanwezigheid van anderen troost kan bieden en daarmee dat
bedreigende gebeurtenissen de behoefte om erbij te horen kan stimuleren.
De hypothese voorspelt dat mensen terughoudend zijn in het verbreken van sociale relaties,
omdat de behoefte aan verbondenheid sterk is. Tijdgebonden groepen (zoals een voetbalteam)
en overgangsgroepen (zoals een klas) laten beide zien dat mensen de band of het idee daarvan
proberen te behouden. Dit blijkt ook uit rituelen als groeten en afscheid nemen, die bevestigen
dat de relatie blijft bestaan en toekomstig contact verwacht wordt. Het beëindigen van intieme
relaties, zelfs gewelddadige, gaat vaak gepaard met stress en ambivalentie. Na een
echtscheiding blijft er regelmatig een hechte maar tegenstrijdige binding bestaan, al spelen
mogelijk ook andere factoren mee.
Mensen besteden veel cognitieve aandacht aan sociale relaties. Informatie over belangrijke
anderen wordt georganiseerd per persoon, terwijl informatie over onbekenden of
buitenstaanders vaker op basis van kenmerken of categorieën wordt opgeslagen. Dit laat zien
dat sociale verbondenheid een fundamentele rol speelt in hoe we informatie verwerken en
onthouden.
Mensen verwerken informatie over hechte relaties anders dan over vreemden. Zo herinneren
ze zich niet alleen hun eigen woorden beter, maar ook die van hun partner (next-in-line effect).
Onderzoek toont dat bij intieme relaties grenzen tussen zelf en ander cognitief vervagen:
eigenschappen of handelingen van de partner worden deels als eigen ervaren (inclusion of
other in the self). Zelfdienende vertekeningen, zoals successen toeschrijven aan jezelf en
mislukkingen afwijzen, gelden ook voor de partner, zolang de relatie goed is. Ook illusies van
optimisme en onkwetsbaarheid worden gedeeld met naasten: mensen geloven dat zowel
zijzelf als hun dierbaren minder risico lopen dan vreemden. Kortom: de behoefte aan
verbondenheid leidt tot cognitieve versmelting en gedeelde zelfversterkende denkpatronen in
hechte relaties.
Mensen verwerken informatie over hun eigen groep positiever en complexer dan over
buitenstaanders: negatieve daden van in-groepsleden worden vergeten en successen worden
groepsbreed toegeschreven. Bovendien hebben nauwe relaties en groepen vaak een transactief
geheugen, waarbij ieder lid zich specialiseert in bepaalde informatie en zo samen meer kan
onthouden. Experimenten met stelletjes laten zien dat dit gezamenlijke geheugensysteem
beter werkt dan bij willekeurige duo’s, tenzij onderzoekers de taakverdeling kunstmatig
verstoren.
Onderzoek laat zien dat mensen oorzaken vaak verklaren vanuit interpersoonlijkheid, oftewel
de mate waarin gebeurtenissen beïnvloed worden door relaties. Deze dimensie blijkt zelfs
sterker naar voren te komen dan klassieke attributiefactoren zoals locus of stabiliteit.
Bovendien verwerken mensen informatie over (potentiële) relatiepartners intensiever: ze
letten beter op details, maken scherpere attributies en besteden extra aandacht aan informatie
die afwijkt van verwachtingen. Interpersoonlijke afhankelijkheid verandert zo de manier
,waarop mensen informatie interpreteren en onthouden, wat benadrukt hoe belangrijk sociale
relaties zijn voor cognitieve processen.
De belangrijkste emotionele implicatie van de hypothese is dat veranderingen in iemands erbij
horen-status, of deze nu reëel, potentieel of ingebeeld zijn, emotionele reacties oproepen.
Langdurige sociale verbondenheid genereert over het algemeen positieve affecten, terwijl
chronische deprivatie negatieve affecten bevordert. Positieve affecten ontstaan vooral bij het
aangaan van nieuwe sociale banden. Een specifiek geval is verliefdheid, waarbij de affectieve
respons afhankelijk is van wederkerigheid. Ouderschap vormt een bijzonder voorbeeld: zelfs
wanneer het ouderschap stress, conflicten en praktische moeilijkheden met zich meebrengt,
behouden mensen een positief beeld van deze sociale band. De verklaring hiervoor is dat de
vreugde en positieve gevoelens voortkomen uit het vormen van de nieuwe sociale band zelf,
terwijl de negatieve gevoelens het gevolg zijn van de praktische aspecten van de band en niet
van de band zelf. Het huwelijk versterkt een bestaande sociale band tot een meer permanente
status. Hoewel affect hier wordt gezien als een gevolg van hechting, kan positief affect op zijn
beurt bijdragen aan het verstevigen van sociale hechting.
Daarnaast ervaren mensen angst bij het vooruitzicht belangrijke relaties te verliezen of
wanneer deze zijn verbroken. Angst wordt vaak beschouwd als een extreme vorm van
negatieve affectie en is sterk verbonden met bedreigde of verloren sociale banden. Sociale
exclusie is mogelijk de belangrijkste oorzaak van angst. Een gebrek aan sociale
verbondenheid kan bovendien leiden tot depressie. Jaloezie vormt een andere negatieve
affectieve toestand die optreedt bij bedreiging van iemands relaties, en dit fenomeen blijkt
crosscultureel en universeel.
Eenzame en niet-eenzame mensen besteden vergelijkbare hoeveelheden tijd aan sociale
interacties, maar eenzame mensen brengen minder tijd door met degenen die hun behoefte aan
erbij horen het best kunnen vervullen, zoals vrienden en familie. Schuldgevoel is een andere
belangrijke negatieve emotie en heeft een duidelijke interpersoonlijke structuur. Onderzoek
laat zien dat schuldgevoelens voornamelijk optreden binnen hechte interpersoonlijke relaties
en vaak worden opgewekt om de partner te stimuleren meer bij te dragen aan het behoud van
de relatie.
Twee gebeurtenissen die de behoefte aan erbij horen ernstig kunnen verstoren zijn
echtscheiding en overlijden. Rouw verloopt daarbij vaak in de vorm van een ernstige
depressie. Deze reactie kan bovendien worden begrepen als een reactie op het verlies van de
sociale band zelf, eerder dan op het verlies van een specifieke persoon. Uit onderzoek blijkt
dat de grootste motivator voor angst voor de dood scheiding van familie en vrienden is en de
meest positieve beschrijvingen van het leven na de dood legt de nadruk op samenzijn.
Wanneer een goede vriend beter presteert in een gebied dat belangrijk is voor iemands
zelfbeeld, kan dat negatieve emoties oproepen zoals frustratie of onzekerheid. Als die
prestatie plaatsvindt in een domein dat niet relevant is voor de eigen identiteit, leidt het juist
tot positieve gevoelens. Dit komt doordat successen van hechte relaties weerslag kunnen
hebben op het zelfbeeld, zolang ze het niet bedreigen. Bij vreemden gebeurt dit niet, omdat
hun prestaties geen invloed hebben op hoe iemand zichzelf ziet. Verbondenheid verandert dus
, op complexe maar voorspelbare manieren hoe mensen emotioneel reageren op andermans
prestaties.
Onderzoek laat zien dat mensen zonder voldoende ondersteunende relaties meer stress ervaren
dan mensen met sterke sociale netwerken. Beschikbaarheid van anderen kan coping
verbeteren en zelfs het deel uitmaken van een ondersteunend netwerk vermindert stress, ook
zonder actieve hulp. Het ontbreken van verbondenheid is op zich stressvol en gaat gepaard
met diverse negatieve gevolgen: verhoogde psychische en lichamelijke gezondheidsklachten,
verminderde immuniteit, toename van crimineel gedrag en zelfs een hogere kans op
zelfmoord.
Onderzoek laat zien dat zowel sociale steun als gezelschap belangrijk zijn, maar dat
gezelschap vaak het meest bijdraagt aan psychologisch welzijn, sociale tevredenheid en het
omgaan met lichte stress. Dit benadrukt dat het niet de praktische hulp is, maar het vervullen
van de behoefte om erbij te horen dat essentieel is. Introverten met een goed netwerk ervaren
net zoveel geluk als extraverten, wat suggereert dat minder ervaren verbondenheid hun
welzijn beïnvloedt. Voor een goede band tussen therapeut en cliënt is onvoorwaardelijke
sociale acceptatie essentieel. Ook in groepstherapie blijkt verbondenheid belangrijk voor de
effectiviteit van de behandeling. Mensen verschillen in hoe ze de vervulling van hun
verbondenheidsbehoefte waarnemen, ongeacht de grootte van hun netwerk of de hoeveelheid
sociale steun. Deze waarnemingen functioneren als een cognitief schema: stabiele
overtuigingen over relaties beïnvloeden interpretatie en herinnering van sociale interacties,
waardoor sommigen verbondenheidstekort ervaren, zelfs als ondersteuning aanwezig is.
Onderzoek naar gevangenen laat zien dat mensen zelfs zonder regelmatige interactie sterke
verbondenheid kunnen ervaren. Gevangenen koesteren hun sociale banden en proberen eraan
vast te houden, maar lijden wel onder het gebrek aan interactie. De waargenomen dreiging
van het verlies van deze banden draagt ook bij aan hun lijden, wat aangeeft dat niet alleen het
ontbreken van contact problematisch is. Moeders in de gevangenis lijken hier relatief immuun
voor, omdat de moeder-kindband moeilijk verbroken kan worden; zij tonen nog steeds veel
inzet voor interactie, ondanks de inspanning en frustratie. Dit patroon van verbondenheid
zonder frequente interactie wordt bij veel groepen gezien. Mensen willen niet alleen
informatie delen, maar ook plezierige interacties en small talk behouden, wat laat zien dat
verbondenheid verder gaat dan louter kennis van elkaars bestaan of uitwisseling van
informatie.
Interactie zonder duurzame sociale band blijkt onvoldoende om de behoefte aan
verbondenheid te vervullen. Zo ervaren prostituees, ondanks vele contacten, weinig
tevredenheid en zoeken zij alsnog hechte banden. Dit kan ook leiden tot irrationele
gehechtheid aan pooiers of mannen in het algemeen. Alleen relaties die gekenmerkt worden
door zorgzaamheid bieden voldoening; conflictueuze relaties zijn juist schadelijk. Een slechte
partner blijkt zelfs nadeliger voor welzijn dan geen partner, omdat conflicten het gevoel van
onthechting versterken en het zoeken naar betere relaties belemmeren.
Conflicten tussen ouders vergroten de kans op agressief en antisociaal gedrag bij kinderen.
Mensen hebben bovendien een sterke voorkeur voor wederkerige relaties: de wens om steun
te ontvangen hangt samen met de bereidheid steun te geven. Ten slotte blijkt dat kinderloze