Lesweek 1: de Nederlandse democratische rechtsstaat
Staatsrecht <ook wel> constitutioneel recht
NL is als staat een koninkrijk (een monarchie met een erfelijk staatshoofd),
met een centrale overheid (centrale staatsorganen) -> NL is een
democratische rechtsstaat in de vorm van een constitutionele monarchie,
een gedecentraliseerde eenheidsstaat, met een parlementair stelsel -> NL
is daarnaast territoriaal onderverdeeld (territoriale decentralisatie):
- 12 provincies
- 21 waterschappen
Legaliteitsbeginsel: beginsel dat bepaalt dat (overheids)bevoegdheden
een (grond)wettelijke grondslag moeten hebben -> ‘’ieder
overheidsoptreden berust op een daaraan voorafgegane regel, dat die
regel gemaakt mag worden, moet staan in de Grondwet’’
Decentralisatie: de beslissingsbevoegdheid verspreiden over meerder
personen en groepen -> de verdeling van de staatsmacht van de centrale
overheid (het rijk) en de decentrale overheden
2 vormen van decentralisatie in NL:
Autonomie -> is sprake waar de wetgever aan provincie of
gemeente de regeling en organisatie van de eigen huishouding
overlaat
Medebewind -> is sprake als de wetgever gedecentraliseerde
lichamen opdraagt een bepaalde taak te behartigen en daartoe
bevoegdheden toekent en aangeeft hoe van de
medebewindsbevoegdheden gebruik te maken
Het rijk + provincies + gemeenten + waterschappen = de
Nederlandse staat
Staat is een organisatie:
Op een bepaald grondgebied
Die overheidsgezag uitoefent
Over een bevolking
,Waaraan kan je zien dat NL een staat is:
Een staat is een organisatie
Die betrekking heeft op een bepaald territorium/grondgebied (->
zonder grondgebied geen staat)
Die op dat territorium gezag (overheidsgezag) uitoefent
Die daartoe het geweldmonopolie heeft (-> de staat mag als enige
burgers opsluiten en bestraffen en geweld mag gebruiken ter
bescherming van haar burgers)
Waarbij we spreken van (interne) soevereiniteit (-> de staat kan
intern zelfstandig besluiten nemen en handelingen verrichten en
extern met andere staten afspraken maken)
Vaak is er eenheid van bevolking, door dezelfde taal, cultuur,
geschiedenis en uiterlijke kenmerken: een natiestaat (dit is geen
vereiste)
Vanuit internationaalrechtelijk perspectief wordt daarnaast als criterium
toegevoegd:
Het erkend zijn als staat
Met als rechtgevolgen dat de staat internationale (externe)
soevereiniteit heeft (de staat heeft rechten en plichten)
Hoe komt een staat tot stand? -> feitelijk gezien moet er zich een abrupte
of geleidelijke ontwikkeling hebben voorgedaan waardoor er zich op een
gegeven moment een situatie vormde van een staat en van een staat die
door derde staten werd erkend (-> dit kan vreedzaam zijn geweest of
gewelddadig)
Juridisch bestaan er geen (staatsrechtelijke) regels voor de oprichting van
een staat -> wel zal de vorming van een nieuwe staat moeten leiden tot
het opzetten van een overheidsorganisatie, met effectief gezag -> cruciaal
is dat de bevolking zich schikt in, of uitdrukkelijk accepteert, dat de
nieuwe staat een feit is
Soms scheiden regio’s, onderdelen van een staat met een specifieke eigen
identiteit, zich af: dat noemen we secessie -> vaak erkennen staten het
verschijnsel van secessie niet, want dat is in strijd met hun identiteit en
ratio
De Nederlandse staat heeft rechtspersoonlijkheid (art. 2:1 lid 1 BW): hij
kan deelnemen aan het internationaal rechtsverkeer en verdragen
afsluiten -> hij kan als privaatrechtelijk rechtspersoon deelnemen aan het
privaatrechtelijk rechtsverkeer en hij heeft publiekrechtelijke
bevoegdheden om publiekrechtelijke rechtshandelingen te verrichten
(wetgeving en besluiten) -> ook heeft de staat de bevoegdheid tot het
aangaan van privaatrechtelijke overeenkomsten, het bezitten van
eigendom en het hebben van andere privaatrechtelijke rechten en
verplichtingen
Soevereiniteit: een staat mag de eigen lotsbestemming en koers kiezen,
geen interventies op het grondgebied door andere staten heeft te dulden
, en niet bedreigd of aangevallen mag worden door andere staten ->
soevereiniteit heeft als aanduiding wie het hoogste gezag heeft
Interne soevereiniteit: NL heeft de volledige en onafhankelijke macht over
haar grondgebied en kan zelf beslissingen nemen zonder dat andere
staten zich daarmee bemoeien (NL heeft wel een ‘stukje soevereiniteit’
overgedragen aan bv. de EU) -> bv. NL bepaalt zelf haar belastingstelsel,
onderwijsbeleid en rechtspraak
Externe soevereiniteit: andere staten erkennen dat NL een onafhankelijke
staat is -> NL mag zelf beslissingen nemen in internationale betrekkingen,
zelfstandige verdragen sluiten, heeft eigen buitenlands beleid, kan lid zijn
van een internationale organisaties (EU, NAVO) -> bv. NL sluit een
handelsverdrag met Canada (CETA)
De grondwet in voor NL het basisdocument, dus het is aan de
grondwetgever om te bepalen hoe de staatsrechtelijke orde eruitziet
Constitutie: de staatsinrichting -> de constitutie van een staat bevat
regels over bevoegdheden, instellingen, procedures, rechten van burgers,
rechtspraak en organen -> de basisstructuur van de staat
De basisregels zijn in het algemeen neergelegd in de grondwet -> de
gedachte achter grondwetten is om de basisregels van het staatsrecht
vastigheid te geven en het lastig te maken dat veranderingen worden
doorgevoerd -> dit is ‘rigid constitution’ in tegenstelling tot een ‘flexible
constitution’ waarbij constittionele veranderingen bij gewone wet kunnen
worden doorgevoerd
Constitutie zijn alle rechtsregels die te maken hebben met de
staatsinrichting en de grondwet is hier het belangrijkste onderdeel van,
maar niet alles
Het staatsrecht ziet toe op statelijke instellingen en organen op nationaal
niveau (zoals parlement, wetgever, regering, staatshoofd, ministers,
rechterlijke macht en zelfstandige bestuursorganen) en ook op instellingen
en organen op decentraal niveau (zoals provincie en gemeenten)
Bronnen van het staatsrecht:
Grondwet
Statuut
Verdragen
EU-recht
Provinciewet
Gemeentewet
Wet op de Rechterlijke Organisatie
Kieswet
Reglementen van Orde van de Tweede en Eerste Kamer en de
regering
Ongeschreven staatsrecht -> vertrouwensbeginsel
Hoofdvragen van het staatsrecht: