ALLE kunstwerken uitgewerkt aan de hand van de probleemstellingen,
de syllabus en de kunstperiodes.
,Tekenen Examenstof Alle kunstwerken uitgewerkt
PROBLEEMSTELLINGEN
1. 1 In hoeverre verschilt de beroepspraktijk van een kunstenaar anno nu met die van een
kunstenaar uithet verleden?
2. 2 In hoeverre veranderde de sociaaleconomische positie en de maatschappelijke status van
de kunstenaar door de eeuwen heen?
3. 3 Welke ideeën en mythes van het kunstenaarschap zijn er door de eeuwen heen ontstaan?
Bijvoorbeeld: het klassieke kunstenaarschap (edelman kunstenaar), het romantische
kunstenaarschap (bohemien), het avant-gardistische of modernistische kunstenaarschap en
het kunstenaarschap van de post-artist.
4. 4 Op welke manieren presenteert de kunstenaar zichzelf door de eeuwen heen en hoe wordt
hij/zij gerepresenteerd (voorgesteld) door anderen? En hoe sluit dit aan op ideeën en mythes
van het kunstenaarschap?
5. 5 Speelt het persoonlijke leven van de kunstenaar een rol in zijn/haar kunst? En welke
verklaring(en) worden hiervoor gegeven?
6. 6 Op welke manier weerspiegelt het atelier of de woning van een kunstenaar zijn of haar
visie op kunst en/of leven?
7. 7 Wat zijn de mogelijkheden en beperkingen van de biografische methode als
kunsthistorische benadering? En welke alternatieve benaderingen bestaan er voor de
biografische methode? bijvoorbeeld: de formele benadering, de iconologische benadering,
de semiotiek, de kunstsociologische benadering, de postmoderne benadering.
.
Kunstwerken: pagina 3
Periodes: pagina 73
Samenvatting Syllabus: pagina 80
,Da Vinci, Leonardo Salvator Mundi 1500 (1400-1600
Leven van kunst 1, 2, 3
1. Verschil in beroepspraktijk: Leonardo da Vinci vs. kunstenaar nu
Leonardo da Vinci (1400–1600):
• Werkte voornamelijk in opdracht van kerkelijke en wereldlijke
machthebbers, zoals de Medici of de hertog van Milaan. Salvator Mundi
is een voorbeeld van zo’n opdracht.
• Was een homo universalis: combineerde schilderkunst,
beeldhouwkunst, techniek, wetenschap, anatomie en architectuur.
• Werkte in ateliers en gilden, met leerlingen en assistenten; kunst en
ambacht waren nauw verbonden.
• Zijn werk was een mengeling van kunst en onderzoek: perspectief, proporties, anatomie
en harmonie stonden centraal.
Kunstenaar nu:
• Veel meer autonomie; kunstenaars kunnen zelfstandig werken of via galeries en online
platforms verkopen.
• Vaak gespecialiseerd, hoewel multidisciplinaire kunst ook bestaat.
• Directe publieksinteractie via exposities, social media en digitale platforms.
• Minder afhankelijk van één opdrachtgever; soms gefinancierd via subsidies, fondsen of
crowdsourcing.
Kernverschil: vroeger was kunstenaarschap een mix van ambacht, intellect en patronage; nu draait
het meer om autonomie, concept en publieksbereik.
2. Verandering sociaaleconomische positie en maatschappelijke status
• Leonardo’s tijd:
o Kunstenaars begonnen als ambachtslieden, maar Leonardo’s status als
wetenschappelijk en artistiek genie bracht hem aanzien.
o Opdrachtgevers bepaalden vaak inkomen; status steeg als men aan invloedrijke
vorsten of de kerk werkte.
o De overgang van ambachtsman naar homo universalis markeert de veranderende
maatschappelijke positie.
• Door de eeuwen heen (contextueel):
o Renaissance: kunstenaar steeds meer een intellectueel figuur.
o Romantiek: kunstenaar als vrije, creatieve ‘genie’.
o Moderne tijd: kunstenaars zijn vaak zelfstandige ondernemers, met wisselende
maatschappelijke erkenning.
, 3. Ideeën en mythes van het kunstenaarschap
• Klassiek/renaissance: kunstenaar als homo universalis, meester van zowel kunst als
wetenschap; Leonardo als archetype.
• Visie op schoonheid: harmonie, maat, verhouding, symmetrie – beïnvloed door
neoplatonisme en humanisme.
• Kunstenaarschap en macht: afhankelijk van opdrachtgevers, maar Leonardo illustreert dat
een kunstenaar ook politieke en intellectuele invloed kon hebben.
• Later ontstaan mythes: bohemien (romantiek), avant-garde (20e eeuw), post-artist
(hedendaags) – Leonardo vertegenwoordigt juist de renaissance-ideaalfiguur van
veelzijdigheid en intellect.
Hockney, David Potrait of an Artist (Pool with
Two Figures), 1972 1972 1945-1990
Leven van kunst 1, 2, 3
1. Verschil in beroepspraktijk: David Hockney vs. kunstenaar nu
David Hockney (1945–1990):
• Werkte deels in opdracht, maar had veel meer autonomie dan kunstenaars in de
Renaissance; hij bepaalde grotendeels zelf zijn onderwerpen en stijl.
• Portrait of an Artist (Pool with Two Figures) (1972) is geen opdrachtwerk maar een
persoonlijk kunstwerk, later opgepikt door de kunstmarkt en musea.
• Functioneerde in een internationale kunstmarkt: exposities in Londen, Los Angeles en New
York; contact met galeries en verzamelaars was cruciaal.
• Combineerde traditionele schilderkunst met fotografie en later fotocollages → begin van
multidisciplinariteit.
• Maakte deel uit van een netwerk van kunstenaars en intellectuelen, beïnvloed door Pop Art,
fotografie en design.
Kunstenaar nu:
• Nog meer multidisciplinair en conceptueel: installaties, video, performance, digitale media,
AI.
• Social media en digitale platforms maken directe interactie met publiek en verkoop
mogelijk.
• Vaak projectmatig gefinancierd: subsidies, fondsen, crowdfunding of residencies.
• Werken soms samen in teams (community-art, participatief werk).
• Sterke rol als ondernemer en merk: zichtbaarheid, netwerk en presentatie zijn bepalend
voor succes.