Nature -> aangeboren gedragskenmerken
Nurture -> gedragskenmerken die je worden aangeleerd
Stromingen zie pp gedragskennis
Hoofdstuk 4
Behaviorisme:
- theoretisch kader van gedragstherapie
- Gedrag is aangeleerd of foutief aangeleerd
- Nieuw gedrag kan aangeleerd worden via concrete opdrachten
- Waarneembaar gedrag
Stimulus: prikkel
Response: reactie
Cognitieve psychologie: ziet de mens als info werkend systeem -> we hebben vaak automatische
verklaringen, gedachten over de wereld en onszelf
Attributies: toeschrijven van een gebeurtenis aan een bepaalde oorzaak
- Stabiel versus instabiel: is de oorzaak permanent aanwezig (stabiel) of tijdelijk (instabiel)?
- Intern versus extern: wordt de oorzaak aan jezelf toegeschreven of aan de omgeving?
- Globaal versus specifiek: bijv. -> attribueert niet-groeten van je buurman globaal als je denkt:
niemand vind mij aardig -> attribueert specifiek als je denkt: ik moet eens wat vriendelijker
kijken als ik de buurman tegenkom
Locus of control: de manier waarop je gebeurtenissen attribueert
- Interne locus of control: je hebt het idee dat je invloed hebt op de dingen de je overkomen
- Externe locus of control: je denkt dat dingen je overkomen, dat je er niks aan kan doen
Aangeleerde hulpeloosheid: je denkt geen invloed te kunnen uitoefenen op je situatie -> gevoel dat je
overgeleverd bent aan de omstandigheden
Tandwielschema: gebeurtenissen, gewaarwordingen, gedachten, gevoelens, gedrag en de gevolgen
grijpen in elkaar en kunnen als een systeem worden gezien -> houdt elkaar in positieve of negatieve
zin in gang
Executieve functies:
- Koude executieve functies: gericht op het kunnen remmen of controleren van verschillend
gedrag
- Warme executieve functies: samenhang met het kunnen nemen van besluiten over het al dan
niet vertonen van gedrag
Exposure: blootstelling aan datgene waar je bang en benauwd voor bent
- Exposure in vivo: je zoekt in het echte leven datgene op waar je bang voor bent of datgene
wat fout gaat
- Exposure in vitro: je leert gedrag in een kunstmatige situatie
Nurture -> gedragskenmerken die je worden aangeleerd
Stromingen zie pp gedragskennis
Hoofdstuk 4
Behaviorisme:
- theoretisch kader van gedragstherapie
- Gedrag is aangeleerd of foutief aangeleerd
- Nieuw gedrag kan aangeleerd worden via concrete opdrachten
- Waarneembaar gedrag
Stimulus: prikkel
Response: reactie
Cognitieve psychologie: ziet de mens als info werkend systeem -> we hebben vaak automatische
verklaringen, gedachten over de wereld en onszelf
Attributies: toeschrijven van een gebeurtenis aan een bepaalde oorzaak
- Stabiel versus instabiel: is de oorzaak permanent aanwezig (stabiel) of tijdelijk (instabiel)?
- Intern versus extern: wordt de oorzaak aan jezelf toegeschreven of aan de omgeving?
- Globaal versus specifiek: bijv. -> attribueert niet-groeten van je buurman globaal als je denkt:
niemand vind mij aardig -> attribueert specifiek als je denkt: ik moet eens wat vriendelijker
kijken als ik de buurman tegenkom
Locus of control: de manier waarop je gebeurtenissen attribueert
- Interne locus of control: je hebt het idee dat je invloed hebt op de dingen de je overkomen
- Externe locus of control: je denkt dat dingen je overkomen, dat je er niks aan kan doen
Aangeleerde hulpeloosheid: je denkt geen invloed te kunnen uitoefenen op je situatie -> gevoel dat je
overgeleverd bent aan de omstandigheden
Tandwielschema: gebeurtenissen, gewaarwordingen, gedachten, gevoelens, gedrag en de gevolgen
grijpen in elkaar en kunnen als een systeem worden gezien -> houdt elkaar in positieve of negatieve
zin in gang
Executieve functies:
- Koude executieve functies: gericht op het kunnen remmen of controleren van verschillend
gedrag
- Warme executieve functies: samenhang met het kunnen nemen van besluiten over het al dan
niet vertonen van gedrag
Exposure: blootstelling aan datgene waar je bang en benauwd voor bent
- Exposure in vivo: je zoekt in het echte leven datgene op waar je bang voor bent of datgene
wat fout gaat
- Exposure in vitro: je leert gedrag in een kunstmatige situatie