1.1.1: Erbij horen (Ontwikkelingspsychologie)
Er wordt vanuit drie perspectieven naar het sociaal functioneren gekeken: het sociale individu,
sociale interactie en sociale groepen. Deze kennisclip gaat over het sociale individu, en
specifiek over motivatie en gedrag. Eén van de belangrijkste drijfveren voor sociale
individuen is de fundamentele behoefte om erbij te horen: the need to belong.
Vanaf de geboorte is de behoefte om erbij te horen aanwezig, voornamelijk voor overleving.
Deze behoefte zal altijd blijven bestaan. Het zorgt voor een gevoel van veiligheid waaruit
ontwikkeling kan plaatsvinden. The need to belong is de drijfveer om positieve sociale relaties
aan te gaan en te behouden. Dit gaat verder dan familie of één-op-éénrelaties en reikt ook
verder dan hechting. De eerste signalen dat baby’s erbij willen horen, zijn lachen (vanaf acht
weken) en het starten van proto-conversaties (om en om geluidjes maken). Omgekeerd geldt
dit ook: baby’s krijgen een stressreactie als ze geen reactie krijgen (zoals in het still face
experiment). Baby’s lijken vroeg instinctief te weten bij wie ze willen horen.
Kinderen vanaf één jaar imiteren, maar niet iedereen. Ze doen dit vooral bij bekenden, warme
personen en personen die ze live zien. Kinderen vanaf twee jaar laten ook niet bij iedereen
pro-sociaal gedrag zien. Ze geven bijvoorbeeld sneller een cadeautje aan mensen die hun taal
spreken in vergelijking met mensen die een andere taal spreken, of aan iemand die tot hun
groep behoort in plaats van een buitenstaander (ze konden stickers krijgen in ruil voor het
verklappen van een geheim; dit was duidelijker zichtbaar bij vijfjarigen dan bij vierjarigen).
Ook vertonen ze sneller pro-sociaal gedrag naar aardige personen dan naar neutrale of
onaardige personen.
Bij onderzoek onder kinderen van 30 maanden werd de relatie tussen imitatie en pro-sociaal
gedrag onderzocht. De onderzoekers keken of een kind de onderzoeker nadeed en of het kind
de onderzoeker ging helpen. Hieruit bleek dat hoe vaker ze imiteerden, hoe vaker ze ook
hielpen. Het idee is dat imitatie en pro-sociaal gedrag worden gedreven door sociale
verbondenheid. In een ander onderzoek kregen kinderen een afbeelding te zien met poppetjes.
Daarna werd gekeken hoe vaak de kinderen hielpen. Er waren vier condities: een afbeelding
met poppetjes die samen stonden, een controle-afbeelding zonder poppetjes, een afbeelding
met poppetjes die alleen stonden, en een afbeelding met poppetjes die met de rug naar elkaar
,toe stonden. Kinderen die de afbeelding met samenstaande poppetjes zagen, hielpen vaker dan
in de andere condities. Ze leken geprimed om pro-sociaal gedrag te vertonen.
In een ander onderzoek werd gekeken of een kind een sticker gaf aan een vriend, bekende of
vreemde. In de pro-sociale conditie kregen ze direct een sticker als ze de ander géén sticker
gaven, of ze konden de ander een sticker geven en zelf later één krijgen. Ze hadden dus niets
te verliezen. In de sharing conditie kregen ze direct twee stickers, of ze konden er één geven
en later zelf een sticker krijgen (er was dus iets te verliezen). In de sharing conditie werd het
meest gedeeld met een vriend, meer dan met een bekende of een vreemde. In de pro-sociale
conditie kreeg de vreemde even vaak een sticker als de vriend, en de bekende minder vaak.
Dit kan komen doordat kinderen een normbesef ontwikkelen dat geactiveerd wordt bij
onbekenden, maar dat ze laten varen bij bekenden met wie ze niet bevriend zijn.
Een ander onderzoek liet zien dat conflicten met vrienden niet per se minder vaak
voorkwamen dan bij bekenden, maar wel minder intens waren. Ze werden sneller opgelost en
er werd makkelijker een compromis gesloten.
Boosheid is een belangrijke emotie om je grens aan te geven, maar kan relaties schaden bij te
veel boosheid. Uit onderzoek bleek dat boosheid minder vaak geuit wordt bij vrienden dan bij
ouders, omdat er minder op het spel staat (je ouders blijven toch wel bij je).
1.1.3: Sociale exclusie (Sociale psychologie)
Het belang van sociale contacten kwam sterk naar voren tijdens de COVID-19-pandemie.
Sociale exclusie treedt op wanneer we worden buitengesloten. Eén van de onderzoeken die
hiernaar gedaan zijn, is dat iemand zich had aangemeld voor een onderzoek en vooraf in de
wachtruimte plaats moest nemen. Hier zaten ook twee anderen. Het was voor de proefpersoon
niet duidelijk dat dit het sociale experiment was. Eén persoon gooide een balletje naar een
ander en er ontstond een overgooispel. Na verloop van tijd werd de deelnemer
buitengesloten.
Hierna kwam een digitale versie genaamd Cyberball. De conditie waarbij alle deelnemers
meedoen, wordt inclusie genoemd; de conditie waarbij iemand wordt buitengesloten, wordt
exclusie genoemd. De aspecten die te lijden hebben onder uitsluiting zijn stemming,
zelfwaardering, cognitieve prestaties en gedrag.
,Daarnaast was er een onderzoek met frisbee gooien, met de condities: overgeïncludeerd,
geïncludeerd, gedeeltelijk buitengesloten en volledig buitengesloten. Dit onderzoek toonde
aan dat hoe meer iemand werd buitengesloten, hoe lager de zelfwaardering was.
Ook is er onderzoek gedaan naar het gedrag richting de persoon die je heeft buitengesloten.
De rejection-conditie houdt in dat iemand een video van jou heeft gezien en op basis daarvan
heeft besloten jou niet te willen ontmoeten. Daarna werd verteld of je later wel of niet zou
interacteren met die persoon. Er werd gekeken naar hoeveel geld je diegene zou toewijzen in
een onderzoekssetting. Buitengesloten en verwachten diegene nooit te zien betekende weinig
geld, terwijl buitengesloten en verwachten diegene wel te zien veel geld betekende. Dit wordt
herstelkracht genoemd. Men wil iets positiefs doen om uitsluiting te voorkomen of te
herstellen.
In een onderzoek naar de vraag of sociale exclusie kan leiden tot agressie (denk bijvoorbeeld
aan school shootings) waren de eerste drie condities gebaseerd op het idee dat men werd wijs
gemaakt dat uit een persoonlijkheidstest was gebleken dat ze waarschijnlijk alleen zouden
eindigen. Vervolgens werd gekeken of provocatie leidde tot agressie. Mensen die
geëxcludeerd werden, reageerden inderdaad agressiever.
In de vierde en vijfde conditie deden de proefpersonen eerst samen een
kennismakingsoefening in een groepje. Vervolgens kregen ze de vraag met wie ze verder
wilden interacteren. De proefpersoon kreeg te horen dat niemand hen had gekozen, of dat ze
wel waren gekozen. Daarna speelden ze een spel waarbij ze bij winst de tegenstander een
vervelende stimulus konden geven. Bij conditie vier was er sprake van provocatie, bij conditie
vijf was de tegenstander onschuldig. In beide condities werd er agressiever gereageerd als
men werd buitengesloten, en niet agressief als men werd geïncludeerd. Exclusie leidt dus tot
agressie, wat niet altijd gericht hoeft te zijn op de dader.
Uit onderzoek kwamen vier primaire behoeften naar voren die in gevaar worden gebracht
door sociale exclusie: de behoefte om erbij te horen (need to belong), zelfwaardering, gevoel
van controle en een betekenisvol bestaan. Daarnaast heeft onderzoek aangetoond dat sociale
exclusie hersengebieden activeert die verantwoordelijk zijn voor fysieke pijn. Met andere
woorden: sociale exclusie doet pijn.
Sociale exclusie is een basale reactie. Het doet ook pijn als we door ongeziene anderen
worden buitengesloten, als de uitsluiting werd veroorzaakt door externe factoren en het niet
, iemands bedoeling was, als het door een computer gebeurt, als het door leden van een
outgroep gebeurt en zelfs als we worden buitengesloten door leden van een outgroep die we
verachten. Onderzoek toonde aan dat we iets warmere gevoelens voor deze leden krijgen bij
inclusie dan bij exclusie, maar deze gevoelens blijven aanzienlijk lager dan die voor leden van
rivaliserende outgroepen die we niet verachten, of de ingroep.
Om deze pijn van sociale exclusie te voorkomen, proberen we herstelgedrag te vertonen of
vertonen we agressie. De basale behoefte om erbij te horen is een belangrijke motivator, kan
leiden tot heftige emoties en is een sterke stuurder van gedrag. Ons individuele functioneren is
dus afhankelijk van anderen.
1.1.4: Sociale vigilantie (Cognitieve psychologie)
Sociale vigilantie, ook wel sociale aandacht genoemd, verwijst naar een voortdurende
oriëntatie op soortgenoten. In groepsverband kan aandacht voor gezichtsuitdrukkingen
bijdragen aan overleving door het herkennen van gevaar en het versterken van sociale
hechting.
Darwin stelde dat gezichtsuitdrukkingen aangeboren en universeel zijn. Volgens Ekman zijn
er zes basisemoties: boosheid, angst, verdriet, blijheid, walging en verrassing. Voor overleving
zijn vooral angst en boosheid belangrijk. Angst duidt op een dreiging in de omgeving, terwijl
boosheid aangeeft dat de persoon zelf een bedreiging vormt voor de ontvanger. Bij het zien
van angstige of boze gezichtsuitdrukkingen wordt de amygdala geactiveerd.
Er is onderzoek gedaan naar een patiënt, S.M., die schade heeft aan beide zijden van de
amygdala door de aandoening Urbach-Wiethe. Zij kon van de zes basisemoties alleen
angstige gezichtsuitdrukkingen niet herkennen of tekenen. De lichaamspositie kon ze wel
tekenen. Ook begreep ze het concept angst en wist ze wat angst kon uitlokken.
Onderzoek met gemaskerde gezichten, waarbij alleen de ogen zichtbaar waren, liet zien dat
mensen vooral naar de ogen kijken. Veel zichtbaar oogwit wijst op wijdgeopende ogen, wat
geassocieerd wordt met angst. Eye tracking-onderzoek toonde aan dat mensen zich focussen
op de ogen, terwijl S.M. dat niet deed. De amygdala reageert ook op angstige
lichaamshoudingen.