Belangrijkste dingen samengevat
1. Heup (art. coxae)
2. Knie (art. genus)
3. Enkel (art. talocruralis)
1. Bekken en heup
• SI-gewricht (sacroiliaca) – tussen heiligbeen en darmbeen.
• Symphysis pubica – kraakbenige verbinding schaambeenderen.
• Heupgewricht (art. coxae) – kogelgewricht.
2. Bovenbeen en knie
• Kniegewricht (art. genus) – tussen femur en tibia (scharnier + menisci) én
femur en patella.
3. Onderbeen
• Tibiofibularis proximalis – klein vlak gewricht.
• Membrana interossea – bindweefsel tussen tibia en fibula.
• Tibiofibularis distalis – syndesmose bij enkel.
4. Enkel
• Bovenste spronggewricht (talocruralis) – dorsaal/plantairflexie.
• Onderste spronggewricht (subtalaris) – inversie/eversie.
• Talocalcaneonavicularis & calcaneocuboidea – samen Chopart-gewricht.
5. Middenvoet & tenen
• Tarsometatarsale gewrichten (Lisfranc) – middenvoet.
• Intermetatarsale gewrichten – tussen middenvoetsbeentjes.
• (Daarna nog MTP, PIP en DIP in de tenen).
Spiercontracties
1. Concentrisch
• De spier verkort terwijl ze kracht levert.
• Voorbeeld: biceps bij het optillen van een gewicht.
2. Excentrisch
• De spier verlengt terwijl ze kracht levert (controleert beweging).
• Voorbeeld: biceps bij het laten zakken van een gewicht (remmen).
3. Isometrisch (statisch)
• De spier levert kracht maar de lengte verandert niet.
• Voorbeeld: een gewicht vasthouden zonder bewegen, of in plankhouding blijven
staan.
samengevat:
Statisch = kracht zonder beweging (spier blijft even lang)
Dynamisch = kracht mét beweging (concentrisch of excentrisch).
Explosieve kracht = kracht + snelheid (kort en krachtig).
Snelkracht = lichte weerstand snel verplaatsen.
Krachtuithoudingsvermogen = kracht lang volhouden.
Bewegingsketens
Open keten
• Het distale segment (hand/voet) is vrij in de ruimte.
• Voorbeeld: knie-extensie op een toestel → onderbeen beweegt vrij.
1. Heup (art. coxae)
2. Knie (art. genus)
3. Enkel (art. talocruralis)
1. Bekken en heup
• SI-gewricht (sacroiliaca) – tussen heiligbeen en darmbeen.
• Symphysis pubica – kraakbenige verbinding schaambeenderen.
• Heupgewricht (art. coxae) – kogelgewricht.
2. Bovenbeen en knie
• Kniegewricht (art. genus) – tussen femur en tibia (scharnier + menisci) én
femur en patella.
3. Onderbeen
• Tibiofibularis proximalis – klein vlak gewricht.
• Membrana interossea – bindweefsel tussen tibia en fibula.
• Tibiofibularis distalis – syndesmose bij enkel.
4. Enkel
• Bovenste spronggewricht (talocruralis) – dorsaal/plantairflexie.
• Onderste spronggewricht (subtalaris) – inversie/eversie.
• Talocalcaneonavicularis & calcaneocuboidea – samen Chopart-gewricht.
5. Middenvoet & tenen
• Tarsometatarsale gewrichten (Lisfranc) – middenvoet.
• Intermetatarsale gewrichten – tussen middenvoetsbeentjes.
• (Daarna nog MTP, PIP en DIP in de tenen).
Spiercontracties
1. Concentrisch
• De spier verkort terwijl ze kracht levert.
• Voorbeeld: biceps bij het optillen van een gewicht.
2. Excentrisch
• De spier verlengt terwijl ze kracht levert (controleert beweging).
• Voorbeeld: biceps bij het laten zakken van een gewicht (remmen).
3. Isometrisch (statisch)
• De spier levert kracht maar de lengte verandert niet.
• Voorbeeld: een gewicht vasthouden zonder bewegen, of in plankhouding blijven
staan.
samengevat:
Statisch = kracht zonder beweging (spier blijft even lang)
Dynamisch = kracht mét beweging (concentrisch of excentrisch).
Explosieve kracht = kracht + snelheid (kort en krachtig).
Snelkracht = lichte weerstand snel verplaatsen.
Krachtuithoudingsvermogen = kracht lang volhouden.
Bewegingsketens
Open keten
• Het distale segment (hand/voet) is vrij in de ruimte.
• Voorbeeld: knie-extensie op een toestel → onderbeen beweegt vrij.