Boek: Psychiatrie, een inleiding (8e editie)
Schrijvers: Nevid, Spencer, Rathus & Greene
Opleiding: Toegepaste Psychologie, Jaar II, Blok IV
Instituut: Hanze Hogeschool
Jaar: 2013-2014
Samenvatting psychopathologie – Toegepaste Psychologie, jaar II – Hanze Hogeschool 1
,Hoofdstuk 1 Introductie
1.1. Inleiding
Psychiatrie = vakgebied waarin eigen observaties, gevoelens en gedachten leiden tot een bepaalde bejegening,
behandeling en begeleiding van mensen.
1.1. Wat is afwijkend gedrag?
Psychopathologie = deelgebied van de psychiatrie en klinische psychologie. Houdt zich bezig met diverse
vormen van afwijkende emoties, gedachten en gedrag, de oorzaken daarvan en de behandelmogelijkheden
ervoor.
Circa 1 op de 2 mensen in Nederland krijgt op een bepaald moment in zijn leven rechtstreeks te maken met
een diagnosticeerbare psychische stoornis. 43,4% van de mannen en 41,9% van de vrouwen. In een gemiddeld
jaar lijdt een vijfde tot een derde van alle mensen eraan.
Psychische stoornis = het geheel van afwijkende emoties, gedachten of gedragspatronen dat gekenmerkt
wordt door onder andere een storing in het functioneren en (persoonlijk)lijden.
1.2. Definiëren van afwijkend gedrag
1.2.1. Criteria voor abnormaliteit
1. Uitzonderlijk. Deze maatstaf is op zich niet voldoende om gedrag afwijkend te noemen
(bijvoorbeeld
een top zwemmer is niet per se abnormaal).
2.Sociaal afwijkend. Wat sociaal afwijkend is hangt af van normen en waarden van een cultuur.
3. Foute perceptie en interpretatie van de realiteit.
4. Aanzienlijk emotioneel lijden van de persoon.
5. Ongepaste of contraproductief gedrag.
6. Gevaar.
Afhankelijk van de situatie wegen sommige criteria zwaarder dan anderen. In de meeste gevallen wordt echter
een combinatie van de genoemde criteria gebruikt.
12.2. Culturele aspecten
Concepten van gezondheid en ziekte kunnen in verschillende culturen een verschillende betekenis hebben.
Abnormale gedragspatronen kunnen zich in verschillende culturen op verschillende wijzen uiten maar ook op
bepaalde gebieden weer overeenkomen zoals de gedragspatronen bij schizofrenie. In onze maatschappij
spelen invloeden van cultuur, etniciteit en religie op de geestelijke gezondheid ook een actuele rol. Dit komt
mede door de immigratie die de laatste decennia heeft plaatsgevonden.
1.3. Historische visies op afwijkend gedrag
In onze cultuur is de visie op afwijkend gedrag dat dit het product is van biologische en psychosociale factoren.
1.3.1. Hippocrates
Hippocrates tarte het geloof door te stellen dat ziekten van het lichaam en geest het gevolg waren van
natuurlijke oorzaken, en niet van bezetenheid door bovennatuurlijke geesten. Hijs telde dat de gezondheid van
het lichaam en de geest wordt bepaald door een evenwicht in de humores of lichaamssappen. Een verstoring
hiervan zou zorgen voor afwijkend gedrag.
Samenvatting psychopathologie – Toegepaste Psychologie, jaar II – Hanze Hogeschool 2
,1. Een lethargisch of traag persoon zou een overvloed aan slijm (flegma) hebben.
2. Een overvloed aan bloed leidde tot sanguinische dispositie: vrolijkheid, zelfverzekerdheid en optimisme.
3. Een overvloed aan zwarte gal zou de oorzaak zijn van depressie, oftewel melancholie.
4. Een overvloed aan gele gal maakte mensen korzelig en cholerisch, oftewel driftig.
Daarnaast classificeerde hij abnormale gedragspatronen aan de hand van drie hoofdcategorieën:
1. Melancholie = buitensporige depressie.
2. Manie = uitzonderlijke opwinding.
3. Bezetenheid = het bizarre gedrag wat we tegenwoordig aanduiden met schizofrenie.
1.3.2 Exorcisme en heksenvervolging
In de middeleeuwen nam het geloof in bovennatuurlijke oorzaken weer toe, met name de doctrine van
bezetenheid. Volgens deze doctrine is afwijkend gedrag een teken van bezetenheid door boze geesten of de
duivel. Voor de heksenjacht maakten ze gebruik van vernieuwde diagnostische toets. Bij de drijftest werden
verwachten in het water gegooid om te achterhalen of ze dan al niet bezeten waren door de duivel.
1.3.3 Gekkenhuizen
Rond het jaar 1600 werden overal in Europa krankzinnigengestichten of ‘gekkenhuizen’ gebouwd. In de
gestichten woonden zowel bedelaars als geestelijk gestoorden, en de levensomstandigheden waren
erbarmelijk. De bewoners werden vastgeketend aan hun bedden en lagen in hun eigen vuil. In sommige
gevallen kon het gewone publiek tegen betaling naar de ‘gekken’ komen kijken (rariteitenkabinet).
1.3.4. Vanaf 1800: hervormingen
In de ogen van de Franse artsen Jean-Baptiste Pussin en Philippe Pinel waren mensen die afwijkend gedrag
vertoonden gewoon ziek, en daarom hadden ze recht op een menselijke bejegening. Dit was een onpopulaire
mening omdat ze in die tijd afwijkende mensen als een bedreiging zagen en niet als patiënten die recht hadden
op een behandeling.
Morele therapie = gebaseerd op het idee dat patiënten door een menselijke bejegening en een verblijf in een
ontspannen en respectvolle omgeving weer normaal zouden gaan functioneren.
Joseph Guislain speelde een belangrijke rol als hoofdgeneesheer en later als bouwer van het eerste moderne
‘krankzinnigengesticht’. In Nederland betekende prof. Dr. J.C.L. Schroerder van der Kolk veel voor de
ontwikkeling van de psychiatrische behandeling en verpleging. In 1841 werd de eerste Nederlandse
e
Krankzinnigenwet aangenomen. In de tweede helft van de 19 eeuw raakte het idee dat afwijkend gedrag
succesvol kon behandeld worden langzaam maar zeker in ongenade. Er volgde een periode van apathie. De
levensomstandigheden in psychiatrische instellingen verslechterden en deze plekken werden steeds
angstaanjagender. In de jaren 50 kwamen er meer mogelijkheden voor het behandelen van patiënten. Met
name de introductie van nieuwe, effectieve medicijnen en van nieuwe therapeutische behandelingen leidde er
toe dat ‘ongeneeslijke’ patiënten in de gewone maatschappij konden functioneren. Sociaal gerichte
psychiatrische principes kwamen steeds meer op de voorgrond te staan.
1.3.5. De anti psychiatrische beweging
De discussie tussen voor- en tegenstanders van deze nieuwe visie bereikte een hoogtepunt in de
antipsychiatrischebeweging in de jaren zeventig. Deze beweging ging ervan uit dat psychische stoornissen
überhaupt niet bestonden, maar een product of gevolg waren van de maatschappij.
1.3.6. Evidence-based medicine
Samenvatting psychopathologie – Toegepaste Psychologie, jaar II – Hanze Hogeschool 3
, Het streven om gebruik te maken van het beste beschikbare bewijs bij het maken van een keuze voor de
behandeling van de patiënt (zie pagina 17).
Hoofdstuk 2: Visies op oorzaak en gevolg van psychische stoornis
2.1. Inleiding
Het is belangrijk te onderscheiden wat de directe oorzaken zijn (voor zover die al bekend zijn) en wat de
gevolgen zijn die de stoornis kan hebben voor scholing, werk, relaties van de patiënt en zijn verwanten. De
wijze waarop de patiënt en zijn omgeving omgaan met de stoornis is belangrijk en behoeft aandacht in de
behandeling en begeleiding.
De zieke patiënt tegenover ons is een resultante van:
1. Een mens met al zijn eigenaardigheden, met zijn verleden en heden (levensverhaal).
2. Een ziekte met meer of minder goed herkenbare specifieke verschijnselen (de karakteristieken van de ziekte
op zich).
3. Een sociaalrelationele en fysieke omgeving (context van ziekte en ontwikkeling).
4. De houding, visie, kennis en vaardigheden van de behandelaar / onderzoeker tegenover de patiënt.
Biologische processen worden beïnvloed door psychologische en sociale processen en omgekeerd.
2.2. Het biologische perspectief
Genetica = wetenschap die onderzoek doet naar erfelijkheid.
Genen zijn de basale bouwstenen van erfelijkheid. Ze reguleren de ontwikkeling van onze trekken. De genen
liggen verspreid over de chromosomen. De verzameling trekken die is vastgelegd in onze genetische code
wordt ons genotype genoemd. Ons uiterlijk en gedrag wordt ook door omgevingsinvloeden bepaald. Het
geheel van onze werkelijke, zichtbare trekken wordt ons fenotype genoemd. Fenotype is een weerslag van de
interactie tussen genetische factoren en omgevingsinvloeden.
Proband = eerste persoon bij wie in de familie de stoornis wordt vastgelegd.
Het blijkt dat genetica grote invloed heeft op vele vormen van afwijkend gedrag.
2.2.1. Het zenuwstelsel
Het zenuwstelsel is opgebouwd uit neuronen, zenuwcellen die door het hele lichaam signalen doorgeven. Elk
neuron heeft een cellichaam. Daarin bevindt zich de celkern waarin zuurstof wordt omgezet, zodat de cel zijn
werk kan doen. Uit het cellichaam steken korte vezels naar buiten, de zogenaamde dendrieten. Ze ontvangen
de boodschap van naburige neuronen. Elk neuron heeft één axon, die als een soort slurf uit het cellichaam
steekt. Axonen kunnen zich in verschillende richtingen vertakken en kunnen meer dan een meter lang worden.
Bijvoorbeeld de axonen van de neuronen tussen de tenen en het ruggenmerg. Elke axon eindigt in eindknopjes.
Alle boodschappen verplaatsen zich in de vorm van elektrische impulsen. Deze impulsen bewegen zich altijd in
één richting over het neuron: via de ontvangende dendriet naar het cellichaam en dan verder via de axon naar
de eindknopjes. Om dit te kunnen maakt het neuron gebruik van de chemische substantie neurotransmitters.
Deze veroorzaken een chemische verandering in de ontvangende neuronen, waardoor de dendriet en
vervolgens het axon worden getriggerd om de boodschap verder te sturen.
Synaps = spleetje tussen een eindknopje van het ene neuron en de dendriet of soma (cellichaam) van een
Samenvatting psychopathologie – Toegepaste Psychologie, jaar II – Hanze Hogeschool 4