Anatomie
Hoorcollege 1 en Werkcollege1
Zenuwen, botten en spieren (osteoporose)
Te bestuderen leerstof:
Martini, F., Bartholomew, E., Anatomie en fysiologie. Een inleiding. Pearson Education, Amsterdam
2012.
• hoofdstuk 6 tot en met 6.4.2
• hoofdstuk 7 tot en met 7.4
• hoofdstuk 8 tot en met 8.4 en 8.11
Informatorium voor Voeding & Diëtetiek. Bohn Stafleu van Loghum, Houten, 2012.
• Osteoporose en voeding
Lesdoelen
Je kunt:
• de werking van een zenuwcel uitleggen;
• de bouw en functies van het parasympatische en sympathische zenuwstelsel vergelijken en de
verschillen benoemen;
• de functies van het beenderstelsel en spierstelsel beschrijven;
o Kinderen hebben meer botten want deze zijn nog niet aan elkaar gegroeid en worden
gezien als losse botten
• de opbouw, aanmaak en afbraak van beenweefsel en spierweefsel beschrijven;
• beschrijven welke factoren van invloed zijn op het ontstaan van osteoporose.
WC/HC 1.
Functies van de botten
Botten geven ondersteuning aan het lichaam, opslag van calcium en fosfaat, bloedcel worden gevormd,
bescherming -> ribben en hefboomwerking, dat we kunnen bewegen.
Opbouw van het bot
Epiphysis zijn de uiteinden van het bot. Het bot is omgeven door een vlies, dit is het perios. je hebt ook de
binnenbekleden en dit heet endos.
Van dichtbij zie je dat we veel verschillende weefsels hebben. Soort netwerk van vertakkingen. Het is heel
sterk maar alleen van boven naar beneden.
Botgroei
Kan op 2 manieren. intramembraneuze verbening en enchondrale verbening.
Osteoporose
1 op de 3 vrouwen en 1 op de 7 mannen van boven de 60 jaar. In nederland zijn er ongeveer 850000
mensen.
Functies van de spieren
Bewegen van skeletdelen, handhaving van de houding, ondersteuning weke delen, openen en sluiten van in
en uitgangen en handhaven van lichaamstemperatuur.
Spiervezel is omgeven door het sarcolemma, dit zorgt ervoor dat het bij elkaar blijft.
Uitwerking lesdoelen
bestaat uit beenderen van het skelet en het kraakbeen, de botverbindingen, banden en andere
bindweefsels die de beenderen stabiliseren of verbinden.
Functies
Ondersteuning van het gehele lichaam.
, Opslag – calciumzouten vormen een mineraalreserve waarmee calcium en fosfaat kan worden
gehandhaafd. Er zijn ook energiereserves opgeslagen in de vorm van vetten in delen met geel
beenmerg.
Vorming bloedcellen – word in het rode beenmerg gevormd
Bescherming – de ribben bieden bescherming aan het hart en longen.
Hefboomwerking – de grootte en de richting van de krachten die de spieren uitoefen, worden
gewijzigd.
Beenweefsel is een steunweefsel dat gespecialiseerde cellen en matrix bevat.
Macroscopische kenmerken
Vorm van beenderen:
- Lange beenderen -> zijn langer dan dat ze breed zijn (arm, dij).
- Korte beenderen -> afmetingen zijn ongeveer gelijk. (pols, enkels)
- Platte beenderen -> zoals de schedel, ribben en schouderbladen, zijn dun en in verhouding breed.
- Onregelmatige beenderen -> hebben een ingewikkelde vorm -> wervels.
Opbouw van een lang bot:
De centrale schacht (diafyse) is centraal gelegen en mergholte
omgeeft. De holte bevat beenmerg (los bindweefsel). De
verbreden uiteinden heten epifysen, zijn bedekt met
gewichtskraakbeen.
Compact bindweefsel is vrijwel massief, terwijl spongieus
beenweefsel eruit ziet als een netwerk van benige staafjes of
stutten, die door holtes van elkaar gescheiden zijn.
Periost/buitenste beenvlies is het buitenste oppervlak, vezels
van pezen en gewrichtsbanden zijn hiermee vermengd,
hierdoor zijn botten met elkaar verbonden. Periost speelt een
rol bij de groei en herstel, isoleert en biedt plaats aan voor
verbindingen met bloedvaten en zenuwen.
Microscopische kenmerken
Compact en spongieus beenweefsel bevatten botcellen
(osteocyten) in kleine groepjes, deze groepjes worden lacunen genoemd. Deze lacunen zijn te vinden
tussen dunne laagjes gecalcifeerde matrix (lamellen). Tussen de matrix/lamellen lopen kleine kanalen
(canaliculi) en vormen een verbinding tussen lacunen en bloedvaten.
Lamellen zijn cilindervormig en liggen evenwijdig aan de lange as van het centrale kanaal. In het spongieus
beenweefsel zijn de lamellen anders gerangschikt en bevat het weefsel geen osteonen (compact
bindweefstel). Hier vormen de lamellen staafjes of platen die botbalkjes worden genoemd. Hierdoor
ontstaat er een open netwerk.
Spongieus beenweefsel word alleen aangetroffen op plaatsen waar beenderen niet zwaar worden belast of
waar krachten uit uiteenlopende richtingen afkomstig zijn. (lange beenderen)
Drie primaire celtypen in beenweefsel:
1. Osteocyten -> zijn volwassen botcellen. Handhaven de normale botstructuur door calciumzouten
opnieuw te gebruiken.
2. Osteoclasten -> clast = afbreken. Zijn reusachtige cellen met 50> celkernen. Er worden zuren en
enzymen afgegeven die de botmatrix oplossen en geven de opgeslagen mineralen af.
3. Osteoblasten -> vorming van nieuw beenweefsel en bevorderen de afzetting van calciumzouten.
Botvorming
Het proces waarbij andere weefseltypen door beenweefsel word vervangen, wordt verbening genoemd.
(calcificatie – afzetting van calciumzouten)
Er zijn twee verbening. Bij intramembraneuze verbening ontstaat beenweefsel binnen bladen of vliezen van
bindweefsel. Bij enchondrale verbening wordt bestaand kraakbeen door beenweefsel vervangen (foetus).
Hoorcollege 1 en Werkcollege1
Zenuwen, botten en spieren (osteoporose)
Te bestuderen leerstof:
Martini, F., Bartholomew, E., Anatomie en fysiologie. Een inleiding. Pearson Education, Amsterdam
2012.
• hoofdstuk 6 tot en met 6.4.2
• hoofdstuk 7 tot en met 7.4
• hoofdstuk 8 tot en met 8.4 en 8.11
Informatorium voor Voeding & Diëtetiek. Bohn Stafleu van Loghum, Houten, 2012.
• Osteoporose en voeding
Lesdoelen
Je kunt:
• de werking van een zenuwcel uitleggen;
• de bouw en functies van het parasympatische en sympathische zenuwstelsel vergelijken en de
verschillen benoemen;
• de functies van het beenderstelsel en spierstelsel beschrijven;
o Kinderen hebben meer botten want deze zijn nog niet aan elkaar gegroeid en worden
gezien als losse botten
• de opbouw, aanmaak en afbraak van beenweefsel en spierweefsel beschrijven;
• beschrijven welke factoren van invloed zijn op het ontstaan van osteoporose.
WC/HC 1.
Functies van de botten
Botten geven ondersteuning aan het lichaam, opslag van calcium en fosfaat, bloedcel worden gevormd,
bescherming -> ribben en hefboomwerking, dat we kunnen bewegen.
Opbouw van het bot
Epiphysis zijn de uiteinden van het bot. Het bot is omgeven door een vlies, dit is het perios. je hebt ook de
binnenbekleden en dit heet endos.
Van dichtbij zie je dat we veel verschillende weefsels hebben. Soort netwerk van vertakkingen. Het is heel
sterk maar alleen van boven naar beneden.
Botgroei
Kan op 2 manieren. intramembraneuze verbening en enchondrale verbening.
Osteoporose
1 op de 3 vrouwen en 1 op de 7 mannen van boven de 60 jaar. In nederland zijn er ongeveer 850000
mensen.
Functies van de spieren
Bewegen van skeletdelen, handhaving van de houding, ondersteuning weke delen, openen en sluiten van in
en uitgangen en handhaven van lichaamstemperatuur.
Spiervezel is omgeven door het sarcolemma, dit zorgt ervoor dat het bij elkaar blijft.
Uitwerking lesdoelen
bestaat uit beenderen van het skelet en het kraakbeen, de botverbindingen, banden en andere
bindweefsels die de beenderen stabiliseren of verbinden.
Functies
Ondersteuning van het gehele lichaam.
, Opslag – calciumzouten vormen een mineraalreserve waarmee calcium en fosfaat kan worden
gehandhaafd. Er zijn ook energiereserves opgeslagen in de vorm van vetten in delen met geel
beenmerg.
Vorming bloedcellen – word in het rode beenmerg gevormd
Bescherming – de ribben bieden bescherming aan het hart en longen.
Hefboomwerking – de grootte en de richting van de krachten die de spieren uitoefen, worden
gewijzigd.
Beenweefsel is een steunweefsel dat gespecialiseerde cellen en matrix bevat.
Macroscopische kenmerken
Vorm van beenderen:
- Lange beenderen -> zijn langer dan dat ze breed zijn (arm, dij).
- Korte beenderen -> afmetingen zijn ongeveer gelijk. (pols, enkels)
- Platte beenderen -> zoals de schedel, ribben en schouderbladen, zijn dun en in verhouding breed.
- Onregelmatige beenderen -> hebben een ingewikkelde vorm -> wervels.
Opbouw van een lang bot:
De centrale schacht (diafyse) is centraal gelegen en mergholte
omgeeft. De holte bevat beenmerg (los bindweefsel). De
verbreden uiteinden heten epifysen, zijn bedekt met
gewichtskraakbeen.
Compact bindweefsel is vrijwel massief, terwijl spongieus
beenweefsel eruit ziet als een netwerk van benige staafjes of
stutten, die door holtes van elkaar gescheiden zijn.
Periost/buitenste beenvlies is het buitenste oppervlak, vezels
van pezen en gewrichtsbanden zijn hiermee vermengd,
hierdoor zijn botten met elkaar verbonden. Periost speelt een
rol bij de groei en herstel, isoleert en biedt plaats aan voor
verbindingen met bloedvaten en zenuwen.
Microscopische kenmerken
Compact en spongieus beenweefsel bevatten botcellen
(osteocyten) in kleine groepjes, deze groepjes worden lacunen genoemd. Deze lacunen zijn te vinden
tussen dunne laagjes gecalcifeerde matrix (lamellen). Tussen de matrix/lamellen lopen kleine kanalen
(canaliculi) en vormen een verbinding tussen lacunen en bloedvaten.
Lamellen zijn cilindervormig en liggen evenwijdig aan de lange as van het centrale kanaal. In het spongieus
beenweefsel zijn de lamellen anders gerangschikt en bevat het weefsel geen osteonen (compact
bindweefstel). Hier vormen de lamellen staafjes of platen die botbalkjes worden genoemd. Hierdoor
ontstaat er een open netwerk.
Spongieus beenweefsel word alleen aangetroffen op plaatsen waar beenderen niet zwaar worden belast of
waar krachten uit uiteenlopende richtingen afkomstig zijn. (lange beenderen)
Drie primaire celtypen in beenweefsel:
1. Osteocyten -> zijn volwassen botcellen. Handhaven de normale botstructuur door calciumzouten
opnieuw te gebruiken.
2. Osteoclasten -> clast = afbreken. Zijn reusachtige cellen met 50> celkernen. Er worden zuren en
enzymen afgegeven die de botmatrix oplossen en geven de opgeslagen mineralen af.
3. Osteoblasten -> vorming van nieuw beenweefsel en bevorderen de afzetting van calciumzouten.
Botvorming
Het proces waarbij andere weefseltypen door beenweefsel word vervangen, wordt verbening genoemd.
(calcificatie – afzetting van calciumzouten)
Er zijn twee verbening. Bij intramembraneuze verbening ontstaat beenweefsel binnen bladen of vliezen van
bindweefsel. Bij enchondrale verbening wordt bestaand kraakbeen door beenweefsel vervangen (foetus).