de artikelen Ethics & Care in Education
Inhoud
ADHD: A critical update for educational professionals - Te Meerman, Batstra, Grietens & Frances
(2017) .....................................................................................................................................2
Knowing How to Feel: Racism, Resilience, and Affective Resistance – Taylor Rogers (2021) ........4
Metricisation in school: An affective and epistemic injustice - Kathleen Lynch & Anne Lodge
(2024) .....................................................................................................................................7
Forced Return of Embedded Asylum-Seeking Families with Children to Armenia from a
Children’s Rights Perspective – Zijlstra et al. (2022) ................................................................. 10
, ADHD: A critical update for educational professionals -
Te Meerman, Batstra, Grietens & Frances (2017)
De zes kernpunten:
1. Geboortemaand doet ertoe
• Jongste kinderen in een klas hebben 2x zo veel kans op een diagnose en medicatie.
• Hun gedrag wordt dus soms gezien als afwijkend, terwijl het eigenlijk normale
ontwikkelingsachterstand kan zijn.
• Leraren en artsen zijn zich vaak niet bewust van dit effect.
o Ze verwarren soms normale rijpingsverschillen met ADHD.
Betekenis: Gedrag kan leeftijdsgebonden zijn, niet per se een stoornis.
2. Er is geen enkele oorzaak van ADHD
• ADHD is een beschrijving, geen verklaring.
• Geen biologische markers of objectieve test.
• Oorzaken zijn veelzijdig en kunnen elkaar beïnvloeden:
o Gezin (scheiding, opvoeding, mishandeling),
o Sociaaleconomische factoren (armoede, lage opleiding),
o Lichamelijke factoren (slaap, voeding, allergieën, perinatale problemen),
o Erfelijke aanleg.
• Reïficatie: Doen alsof ADHD zowel beschrijving als oorzaak is → cirkelredenering (“het
kind is druk omdat hij ADHD heeft”).
Betekenis: ADHD heeft geen één-op-één oorzaak; context en omgeving spelen een grote rol.
3. De meeste kinderen met ADHD-gedrag hebben “normale” hersenen
• Kleine groepsverschillen in hersenstudies (bv. 3–4% kleiner brein), maar grote overlap
tussen ADHD- en niet-ADHD-kinderen.
• Veel kinderen met ADHD hebben géén afwijkend brein en omgekeerd.
• Verschillen zijn vaak tijdelijk → vertraging in ontwikkeling die later bijtrekt.
• Onderzoek gebruikt vaak strenge selectie (refined phenotypes vs. supernormale
controles), dus niet representatief voor de gemiddelde leerling.
Betekenis: Een ADHD-diagnose voorspelt weinig over hersenstructuur; het idee van een
“defect brein” is misleidend.
4. De genetische oorsprong van ADHD wordt overschat
2