Moleculaire biologie
Cellulaire biochemie – Week 1 en 2
HC 1: Celbiochemie
De basis: van chemie en fysica naar celbiologie Alberts Hst. 2
De werkpaarden: eiwitten en metabolieten Alberts Hst. 2 & 3
Van dood naar leven: het leven is ‘netwerken’! Alberts Hst. 2 & 14
4 essentiële aspecten van (minimaal) leven.
Aspect Macromolecuul/aggregaat Hoe
Processen (omzettingen, Eiwitten Specifieke katalyse
signalering)
Bijeen houden Membranen Amfipatische zelforganisatie;
hydrofiel+ hydrofoob
Geheugen Nucleine zuren Quaternaire code;
complementair
Energie opslag (voor slechtere Polysacchariden Suikerketen
tijden)
De principes: 3 essentiële macromoleculen + 1
1. Lipide bilaag = bijeen houden
2. Eiwit = Katalyse
3. DNA = Geheugen
4. Metabole intermediairen (tussen
producten) geleverd door Gibbs energie en
redox coenzymen!
,Biomolecules
- Methyl → - CH3
- Hydroxyl → -OH
- Carboxyl → -COOH
- Carbonyl → C=O
- Phosphoryl → PO32-
- Amino → NH2
Elk van deze functionele groepen
bevat een carbonyl group → een
carbon double-bonded aan een
hogere electronnegatieve oxygen
atoom.
De carbn heeft een deels positieve
lading en de oxygen een deels
negatieve lading.
Macromoleculen
1. Eiwit
Eiwit = keten van aminozuren die processen katalyseert
(signaleert etc. gereedschap van het level!)
Monomeer =
Aminozuren:
- R = side-chain
gebonden aan de
α-carbon, deze is
variable
- R kan 20 verschillende groepen zijn
- Elke R geeft het aminozuur een physicochemische eigenschap
o Structuur, vorm, hydrophilic, oplosbaar in water, pH, oppervlakte lading
WETEN
Acidic(2), basic (3), uncharged polar (5), de rest in nonpolar (10).
, 2. Lipide bilaag
Lipide bilaag = amfipatische zelforganisatie (hydrofiel+hydrofoob) houdt de
hydrofiele moleculen in de cel.
- Hydrophilic carboxylic acid head
- Hydrophobic hydrocarbon tail
lipids
3. Complementariteit
Complementariteit = geheugen door
quaternaire code (zijn verzamelingen
woorden, opgebouwd vanuit een alfabet van
4 letters. Op dit alfabet mag een zekere
structuur liggen).
- G–C
- A–T
Bases
De bases zijn nitrogen-bevattende ringonderdelen, of “pyrimidines” of
“purines”.
- Pyrimidines (1 ring) = T, C, U
- Purines (2 ringen) = A, G
, Nucleotide of nucleoside
Verschil
DNA RNA
Nucleotides
Suiker verschil Deoxyribose Ribose
Base verschil Thymine (T) Uracil (U)
4. Poly-suiker
Poly-suiker =
- Koolhydraten = Cn(H2O)m
Condensatie en hydrolyse van suikerpolymeren
- Condensatie = Water eruit → 2 monosaccharides aan
elkaar
- Hydrolyse = Water erbij → 2 monosacharides
ontstaan.
Nucleic acid
polymerisatie
3’ end
Cellulaire biochemie – Week 1 en 2
HC 1: Celbiochemie
De basis: van chemie en fysica naar celbiologie Alberts Hst. 2
De werkpaarden: eiwitten en metabolieten Alberts Hst. 2 & 3
Van dood naar leven: het leven is ‘netwerken’! Alberts Hst. 2 & 14
4 essentiële aspecten van (minimaal) leven.
Aspect Macromolecuul/aggregaat Hoe
Processen (omzettingen, Eiwitten Specifieke katalyse
signalering)
Bijeen houden Membranen Amfipatische zelforganisatie;
hydrofiel+ hydrofoob
Geheugen Nucleine zuren Quaternaire code;
complementair
Energie opslag (voor slechtere Polysacchariden Suikerketen
tijden)
De principes: 3 essentiële macromoleculen + 1
1. Lipide bilaag = bijeen houden
2. Eiwit = Katalyse
3. DNA = Geheugen
4. Metabole intermediairen (tussen
producten) geleverd door Gibbs energie en
redox coenzymen!
,Biomolecules
- Methyl → - CH3
- Hydroxyl → -OH
- Carboxyl → -COOH
- Carbonyl → C=O
- Phosphoryl → PO32-
- Amino → NH2
Elk van deze functionele groepen
bevat een carbonyl group → een
carbon double-bonded aan een
hogere electronnegatieve oxygen
atoom.
De carbn heeft een deels positieve
lading en de oxygen een deels
negatieve lading.
Macromoleculen
1. Eiwit
Eiwit = keten van aminozuren die processen katalyseert
(signaleert etc. gereedschap van het level!)
Monomeer =
Aminozuren:
- R = side-chain
gebonden aan de
α-carbon, deze is
variable
- R kan 20 verschillende groepen zijn
- Elke R geeft het aminozuur een physicochemische eigenschap
o Structuur, vorm, hydrophilic, oplosbaar in water, pH, oppervlakte lading
WETEN
Acidic(2), basic (3), uncharged polar (5), de rest in nonpolar (10).
, 2. Lipide bilaag
Lipide bilaag = amfipatische zelforganisatie (hydrofiel+hydrofoob) houdt de
hydrofiele moleculen in de cel.
- Hydrophilic carboxylic acid head
- Hydrophobic hydrocarbon tail
lipids
3. Complementariteit
Complementariteit = geheugen door
quaternaire code (zijn verzamelingen
woorden, opgebouwd vanuit een alfabet van
4 letters. Op dit alfabet mag een zekere
structuur liggen).
- G–C
- A–T
Bases
De bases zijn nitrogen-bevattende ringonderdelen, of “pyrimidines” of
“purines”.
- Pyrimidines (1 ring) = T, C, U
- Purines (2 ringen) = A, G
, Nucleotide of nucleoside
Verschil
DNA RNA
Nucleotides
Suiker verschil Deoxyribose Ribose
Base verschil Thymine (T) Uracil (U)
4. Poly-suiker
Poly-suiker =
- Koolhydraten = Cn(H2O)m
Condensatie en hydrolyse van suikerpolymeren
- Condensatie = Water eruit → 2 monosaccharides aan
elkaar
- Hydrolyse = Water erbij → 2 monosacharides
ontstaan.
Nucleic acid
polymerisatie
3’ end