embryologie plaatjes komen niet op de schriftelijke toets
1. Diafragma
○ Recessus diaphagmaticus loopt rond om de koepel van de
diafragma
○ Diafragma ontwikkelt uit het mesoderm (hier heet het nog
septum transversum)
○ Innervatie diafragma: nervus phrenicus c3 c4 c5 (motorisch)
○ N. phrenicus heeft ook afferente (sensorische) vezels-> bij
pericarditis of peritoneum prikkeling is er visceraal afferente
stroom naar C3,C4-C5-> referred pain: pijn aan schouder
○ Centrale pees diafragma= centrum tendinium, daaromheen
alle spiervezels die hier aanhechten
○ Plaatje: rood=aorta, blauw= azygos venen, groen=ductus
thoracicus (lymfevat)
○ azygos venen tussen aorta en wervelkolom
○ Slokdarm gaat door het spier deel van diafragma-> sphincter
voor slokdarm door externe compressie om reflux te
voorkomen
○ Vena cava gaat door centrum tendinium, ligt tussen de pezen
want zo wordt die ook niet dichtgeknepen door een spierlaag
○ Aorta achter slokdarm-> niet dicht geknepen door spierlaag
○ Truncus sympaticus lopen langs wervelkolom na diafragma (zie
groen in plaatje)
○ Nervus vagus loopt door hiatus oesofagus van diafragma
○ Door trigonum lumbocostale (rood) vaker hernia aan linker
kant, de twee hoeken zijn verbonden door een boogvormig
ligament arcuata mediana -> kan strak om aorta zitten en kan compressie van truncus
coeliacus van aorta aangezien die net na diafragma ontstaat (varieert van mens tot mens
hoeveel afstand daar tussen zit, in het plaatje flinke afstand)
○ Ligamentum arcuata mediana syndroom -> klachten door strakke ligamentum
○ gastroreflux voorkomen-> externe compressie van diafragma op oesofagus + sfincter
i. enerzijds zoveel mogelijk mobiliteit voor ademen en anderzijds slokdarm sluiten=
paradox -> daarom gaat het ook zo vaak mis bij mensen
○ z-lijn= overgang oesofagale plaveiselepitheel-> maag cryptes
i. bij overgang basische klieren
○ aorta, cervicale wervels en oesofagus liggen heel dicht op elkaar-> enige
tekenen van aorta aneurysma vaak -> ‘ eten slikt niet goed door’ doordat
aneurysma slokdarm vernauwt
○ cervicale artrose klemt oesofagus ook dicht -> passage problemen
2. peritoneum (komen toetsvragen over)
○ embryologie
i. voordarm= t/m halverwege duodenum
ii. middendarm= einde duodenum t/m halverwege colon transversum
iii. eind darm= rest, tm rectum
○ peritoneum: parietal-visceral
, i. Parietaal (geel): bekleed buikwand
ii. Visceraal (rood) : bekleed orgaan-> aan de antiluminale kant van
orgaan
1. Patholoog spreekt over mesothelium/ mesotheliale
cellen
2. Ook wordt het tunica serosa genoemd
iii. analogie met pleurae en pericard
iv. Cellen van het peritoneum produceren vloeistof-> mobiliteit van
buikholte
v. Peritoneum heeft ook immunologisch functie
vi. Normaal gesproken geen vrije lucht in buik= wel dan darm
perforate
vii. Wanneer vloeistof in buik-> honger oedeem (vocht trekt de buikholte in door tekort
aan eiwitten in het bloed) of ascites door toegenomen vena porta druk of bewust
door peritoneale dialyse (hypotone vloeistof spoeling
in buikholte)
○ mesenterium: dorsaal-ventraal
i. mesenterium = verbinding van parietaal en visceraal
peritoneum
Soort “ophangband” van intraperitoneale organen,
functie -> organiseren/uitwaaieren darmen, voorkomen volvolus
Mesenterium bestaat uit twee lagen peritoneum met daartussen vet (visceraal vet)
ii. Tweede functie: pathway voor bloed, lymfe en zenuwen van retroperitoneum naar
de organen van intraperitoneaal
1. mesenterium ook weggenomen bij excisie
iii. Mesenterium dat naar achter bindt= dorsaal
iv. Mesenterium dat naar naar voren bindt= ventraal
v. Hele darm heeft dorsaal mesenterium
vi. Voordarm (maag en helft duodenum) heeft ook aan voorzijde mesenterium (ventraal
en dorsaal)
1. in ventrale mesenterium groeit lever
2. ventraal mesenterium scheidt bovenste buikholte in 2 delen
vii. dorsaal mesenterium over hele lengte van buikholte
1. rond om maag-> expansie -> omentum majus
viii. ventraal mesenterium tussen lever en voorste buikwand= ligamentum falciform
1. bevatte vroeger v.umbilicalis-> lig. Teres hepatus (overblijfsel v.umbilicalis)
loopt in lig. Falciform
a. bevat nog een kleine lumen-> kan recanaliseren (andere route van
lever naar hart) bij portale hypertensie -> gaat via lig. Falciform
naar navel -> caput medusa
b. bevat para umbilicale venen
ix. mesenterium dunne darm= HET mesenterium qua naam, alle andere mesenteria
kregen andere namen behalve deze
x. mesenterium colon transversum= mesocolon transversum
xi. Sigmoid mesenterium= mesocolon sigmoideum
xii. rectum= mesorectum
xiii. THUIS= alle intraperitoneale organen aan juiste mesenterium en wat er door de
mesenterium loop + beschrijf wanden van Bursa omentalis
1. Lever
, 2. milt
3. maag-> mesogastrium (omentum major(dorsaal) en omentum minor
(ventraal))
4. superior en inferior duodenum (retroperitoneaal dus geen mesenterium)
a. arterieel:
i. proximale duodenum= truncus coeliacus-> a. Hepatica
communis-> a. Gastroduodenalis-> anterior en posterior
pancreaduodenale superior arterien.
ii. Distale duodenum= anterior en posterior a.
Pancraduodenale inferior (aftakking van a. Mesenterica
superior)
iii. pancreaduodenale inferior en superior vormen
anastomose tussen truncus en a. Mesenterica superior
b. veneus: v. Duodenalis-> v.pancreaticoduodenal-> v.mesenterica
superior en v.hepatica communis -> v.porta
c. lymfe: pancreaticoduodenale knopen, pyloric knopen, superior
mesenterica knopen en celiac knopen
d. innervatie: nervus vagus (parasympatisch) greater splanchnic
nerves (T5-T9) -> plexus celiacus (sympatisch)
5. jejunum-> mesojejunum
6. ileum-> mesoileum
a. vascularisatie van ileum en jejunum:
i. arterieel: a. Mesenteria superior met anastomose (arterial
arcades met terminale vasa recta)
ii. veneus arcades-> vena mesenterica superior-> fuseert
met vena splenica tot poortader
iii. lymfe: Bevat lacteals die vet absorberen -> mesenteric
lymfeknopen of ileocolic knopen-> cysterna chyli
iv. innervatie: symaptisch van T9-T10 via lesser splanchnic
nerves-> celiac en superior mesenteric ganglion.
Parasympatisch door nervus vagus in submocosa en
myenteric plexus
7. Colon transversum-> mesocolon transversum
a. Proximale ⅔ transversum:
i. colic takken van a. Mesenterica superior
ii. celiac en superior mesenteric plexus (parasympatisch en
sympatisch)
iii. rechter en middelste colic venen + ileocolic venen-> v.
Mesenterica superior-> v. Porta
b. laatste ⅓ door colic takken van a. Mesenterica inferior + plexus
hypogastricum (symptisch en parasympatisch) + linker colic venen (
gaat naar v. Mesenterica inferior-> vena porta)
c. lymfe
8. Colon sigmoid-> mesocolon sigmoideum
a. Sigmoid arterien -> aftakking van a. Mesenterica inferior
b. sigmoid venen-> v. Mesenterica inferior
c. plexus mesentericum inferior-> pelvic splanchnic nerves
(parasympatisch) en lumbar splanchnic nerves (sympatisch)
9. superior rectum-> mesorectum