Hoorcollege pedagogiek les 1 agogiek en pedagogiek
Pedagogiek:
Primaire opvoeders: eerste/belangrijkste opvoeders. Meestal de ouders en vanaf de
geboorte.
Secundaire opvoeders: groot invloed in hun leven/opvoeding oppas, opa/oma.
Overige opvoedkundige beïnvloeding alle prikkels vrienden, massamedia.
Invloed die de volwassene heeft op de jeugd, je kunt volwassenen niet opnieuw
opvoeden, kinderen wel. Volwassenen veranderen is geen opvoeding.
M.J. Langeveld
Opvoeding is van ouders op kinderen!
zelfverantwoordelijke zelfbepaling kinderen leren om zelfstandig te worden
en verantwoordelijkheid kunnen nemen.
mondigheid en zelfstandigheid nee kunnen zeggen en zelf beslissingen
kunnen nemen.
Kuipers (1999) drie hoofddoelen die ouders zouden moeten nastreven:
1e dimensie: kind opvoeden tot zelfstandigheid, individu is belangrijk kind moet
steeds zelfstandiger worden. Meer verantwoordelijkheid geven. Je moet een
kind vrij laten om zelf keuzes te maken bijvoorbeeld zelf een opleiding kiezen.
2e dimensie: kind leren deelnemen aan de samenleving. Je bent een individu
met een mening, je moet dus echt deelnemen aan de samenleving en niet
heel de tijd bijvoorbeeld voor de tv hangen.
3e dimensie: nadruk op een betere toekomst. Je moet je kind zo opvoeden dat
je kind ook nadenkt over de toekomst en dat je bijdraagt aan de toekomst
bijvoorbeeld voor een goed doel lopen of milieuverbetering. Kinderen moeten
hier inzicht in krijgen.
Verzorging: belangrijk deel van de opvoeding, je kunt niet zonder. Je geeft een kind
een veilig thuis, geeft een kind eten en drinken, kleding om te beschermen tegen
weersinvloeden en hygiëne je was je kind en leert ze tanden poetsen. Verzorging
alleen is niet genoeg voor de opvoeding. Er is meer nodig voor de ontwikkeling van
kinderen:
hechting (band hebben met je opvoeder een emotionele band)
kennis en regels (wat mag wel wat mag niet) normen en waarden.
bijvoorbeeld dat je u moet zeggen tegen mensen.
Mondig, weerbaar. Je moet ervoor zorgen dat je kind voor zichzelf kan zorgen
en voor zichzelf kan opkomen. Je moet tegen kritiek kunnen!
Orthopedagogiek: kijkt meer naar de speciale opvoeding situaties. Waarbij er sprake
is van een stoornis of wanneer er iets problematisch is bij de ouders.
, Primaire ontwikkelfuncties bijvoorbeeld kind plast in bed
Emoties kind is vaak bang of jaloers
Vd Ploeg:
Gedrag van een jeugdige plaatsen en beoordelen , je moet verder kijken of
het probleem wel zo groot is dat er hulp nodig is. Aan de hand van 10 toetsen.
Ter horst: herstel van het gewone leven
Eerst beoordelen hoe ernstig het gedrag is, je gaat eerst kijken in het dagelijks
leven. Je kijkt naar opvoeders, kind en omgeving. Worden de problemen niet
veroorzaakt door „het leven‟ dan is er hulp nodig.
Agogiek: we willen mensen van een oude naar een nieuwe situatie veranderen.
Agogiek is de theorie en agogie is het veranderen in de praktijk zelf.
Kenmerken agogie
1. Iets in het hoofd of omgang met andere veranderen.
2. Van wat je geleerd hebt/ vanuit een visie.
3. Je werkt naar iets toe, je moet een idee hebben wat je doet.
4. Planmatig werken, in kleine stapjes.
5. Bewust je moet open en eerlijk naar je cliënt zijn. De persoon inzicht geven
wat je doet.
6. Gewenst iemand moet de eindsituatie aandurven en het durven te bereiken.
7. “ “
8. Van agoog naar cliënt, niet andersom.
9. Volwassenen en jongvolwassenen.
Vervangen opvoedingsstijl niet goed dus in het geheel vervangen.
Toevoegen er ontbreekt iets in de opvoeding dus dat moet toegevoegd worden.
Negatieve uitgangssituatie: voorbeeld: studenten halen alleen maar 4‟en
Positieve uitgangssituatie: als de uitgangssituatie al goed is maar beter moet worden:
studenten halen 6‟en maar willen een hoger cijfer.
Niet veranderen: alles bij het oude laten. Als iets is gebeurt dat negatief was het weer
terug willen draaien naar ervoor , toen het nog goed was.
Incidenteel eenmalig: geld ophalen voor het goede doel.
Structureel nieuw personeel aannemen met contract.
Pedagogiek:
Primaire opvoeders: eerste/belangrijkste opvoeders. Meestal de ouders en vanaf de
geboorte.
Secundaire opvoeders: groot invloed in hun leven/opvoeding oppas, opa/oma.
Overige opvoedkundige beïnvloeding alle prikkels vrienden, massamedia.
Invloed die de volwassene heeft op de jeugd, je kunt volwassenen niet opnieuw
opvoeden, kinderen wel. Volwassenen veranderen is geen opvoeding.
M.J. Langeveld
Opvoeding is van ouders op kinderen!
zelfverantwoordelijke zelfbepaling kinderen leren om zelfstandig te worden
en verantwoordelijkheid kunnen nemen.
mondigheid en zelfstandigheid nee kunnen zeggen en zelf beslissingen
kunnen nemen.
Kuipers (1999) drie hoofddoelen die ouders zouden moeten nastreven:
1e dimensie: kind opvoeden tot zelfstandigheid, individu is belangrijk kind moet
steeds zelfstandiger worden. Meer verantwoordelijkheid geven. Je moet een
kind vrij laten om zelf keuzes te maken bijvoorbeeld zelf een opleiding kiezen.
2e dimensie: kind leren deelnemen aan de samenleving. Je bent een individu
met een mening, je moet dus echt deelnemen aan de samenleving en niet
heel de tijd bijvoorbeeld voor de tv hangen.
3e dimensie: nadruk op een betere toekomst. Je moet je kind zo opvoeden dat
je kind ook nadenkt over de toekomst en dat je bijdraagt aan de toekomst
bijvoorbeeld voor een goed doel lopen of milieuverbetering. Kinderen moeten
hier inzicht in krijgen.
Verzorging: belangrijk deel van de opvoeding, je kunt niet zonder. Je geeft een kind
een veilig thuis, geeft een kind eten en drinken, kleding om te beschermen tegen
weersinvloeden en hygiëne je was je kind en leert ze tanden poetsen. Verzorging
alleen is niet genoeg voor de opvoeding. Er is meer nodig voor de ontwikkeling van
kinderen:
hechting (band hebben met je opvoeder een emotionele band)
kennis en regels (wat mag wel wat mag niet) normen en waarden.
bijvoorbeeld dat je u moet zeggen tegen mensen.
Mondig, weerbaar. Je moet ervoor zorgen dat je kind voor zichzelf kan zorgen
en voor zichzelf kan opkomen. Je moet tegen kritiek kunnen!
Orthopedagogiek: kijkt meer naar de speciale opvoeding situaties. Waarbij er sprake
is van een stoornis of wanneer er iets problematisch is bij de ouders.
, Primaire ontwikkelfuncties bijvoorbeeld kind plast in bed
Emoties kind is vaak bang of jaloers
Vd Ploeg:
Gedrag van een jeugdige plaatsen en beoordelen , je moet verder kijken of
het probleem wel zo groot is dat er hulp nodig is. Aan de hand van 10 toetsen.
Ter horst: herstel van het gewone leven
Eerst beoordelen hoe ernstig het gedrag is, je gaat eerst kijken in het dagelijks
leven. Je kijkt naar opvoeders, kind en omgeving. Worden de problemen niet
veroorzaakt door „het leven‟ dan is er hulp nodig.
Agogiek: we willen mensen van een oude naar een nieuwe situatie veranderen.
Agogiek is de theorie en agogie is het veranderen in de praktijk zelf.
Kenmerken agogie
1. Iets in het hoofd of omgang met andere veranderen.
2. Van wat je geleerd hebt/ vanuit een visie.
3. Je werkt naar iets toe, je moet een idee hebben wat je doet.
4. Planmatig werken, in kleine stapjes.
5. Bewust je moet open en eerlijk naar je cliënt zijn. De persoon inzicht geven
wat je doet.
6. Gewenst iemand moet de eindsituatie aandurven en het durven te bereiken.
7. “ “
8. Van agoog naar cliënt, niet andersom.
9. Volwassenen en jongvolwassenen.
Vervangen opvoedingsstijl niet goed dus in het geheel vervangen.
Toevoegen er ontbreekt iets in de opvoeding dus dat moet toegevoegd worden.
Negatieve uitgangssituatie: voorbeeld: studenten halen alleen maar 4‟en
Positieve uitgangssituatie: als de uitgangssituatie al goed is maar beter moet worden:
studenten halen 6‟en maar willen een hoger cijfer.
Niet veranderen: alles bij het oude laten. Als iets is gebeurt dat negatief was het weer
terug willen draaien naar ervoor , toen het nog goed was.
Incidenteel eenmalig: geld ophalen voor het goede doel.
Structureel nieuw personeel aannemen met contract.