hoorcollege 1
ontwikkelingspsychologie = de wetenschappelijke studie naar groei, verandering en stabiliteit
van conceptie tot ouderdom
→ hierdoor kan je gedachten processen signaleren, verklaren en begeleiden
we kijken naar fysiek, cognitief, sociaal-emotioneel en persoonlijkheid ontwikkeling
● fysieke ontwikkeling → stel je wil weten wat is een gezond geboortegewicht
● cognitieve ontwikkeling → hoeveel talen kan een kind bvb tegelijk leren
● sociaal-emotionele ontwikkeling → wanneer moet je je zorgen maken dat je kind nog
geen vrienden heeft gemaakt
● persoonlijkheidsontwikkeling → wanneer is je kind te introvert
alle ontwikkelingen lopen in elkaar over
stadia van prenatale periode (periode voor geboorte)
- methodische celdeling - zygote nu embryo - embryo nu foetus
- begin functiedeling (cellen - functiedeling wordt - verschil in onderscheid in
krijgen functies) specifieker. drie lagen: organen met belangrijke
ecto-, endo- en functies
mesoderm - snelle groei
bevruchting eicel → conceptie
germinaal → bevruchting tot 2 weken (= baby is nog een zygote)
embryonaal → twee tot 8 weken (= embryo → baby begint vorm te krijgen van een zygote)
● ectoderm → cellen die huidcellen, zenuwstelsel, hersenen en zintuigen gaan vormen
(buiten)
● mesoderm → cellen die spieren, hart en bloedvatenstelsel worden (midden)
● endoderm → cellen die interne organen vormen lever, longen en etc (binnen)
→ hoef je niet zo specifiek te kennen zoals in het boek
foetaal → 8 weken tot geboorte
teratogene factoren = schadelijke invloeden tijdens zwangerschap
❖ directe teratogene factoren: bvb roken, slechte voeding, stress, grote hoogten, giftige
stoffen inadequate prenatale zorg
❖ indirecte teratogene factoren: bvb
, leeftijd → je kan beter kind krijgen op je 25 dan op je 45e
etniciteit → bvb mensen die bvb nieuwe nederlanders zijn weten nog niet goed hoe
de zorg werkt of als je niet goed de taal spreekt kan je minder goed geholpen worden
lage sociaaleconomische status → als je minder geld hebt kan je minder goed bvb
zorg betalen
alleenstaand → moet je meer alleen doen
lage opleiding → minder kennis over bvb zwangerschap
typen onderzoek
● experimenteel onderzoek
effectmeting → dmv experimenten doen kan je effecten meten
- voor- en nameting → bvb als je effect van roken op sportprestaties. Dan ga
je ze twee keer bvb 1000 meter laten rennen → tijd meten en dan vergelijken
- experimentele en controlegroep → een groep wel roken en een groep niet
roken.
- randomisatie → mensen worden random over groep A en B verdeeld → dat
het zo ‘eerlijk’ mogelijk verdeeld is (niet alle atleten bij elkaar en alle
dikzakken)
● longitudinaal onderzoek (= langdurig onderzoek)
je gaat mensen over lange tijd onderzoeken (bvb is humor per generatie
verschillend)
- cohortonderzoek → is onderzoek waarbij een groep mensen die
gemeenschappelijke kenmerken (bvb leeftijd/generatie) over tijd volgt om
👭
effecten van factoren te ontdekken
- tweelingonderzoek → tweeling zijn lichamelijk precies hetzelfde → dus als
je bvb de een 30 jaar laat roken en de ander niet kan je hier de effecten van
ontdekken → want hun lichaam speelt geen factor (=precies hetzelfde)
continue en discontinue verandering
★ continue verandering = een geleidelijke verandering / ontwikkeling zonder duidelijke
overgangen (bvb de groei van je haar, het is niet ineens een verschil)
★ discontinue verandering = verandering / ontwikkeling die gaat in sprongen, met
duidelijke overgangen tussen sprongen (bvb de stem die van een man op de ene op
de andere dag de baard in de keel heeft gekregen)
erfelijkheid en omgeving
➢ gen(otype)-omgevingseffecten
➢ diathesis stress model
➢ differential susceptibility hypothese (Belsky)
,gen(otype)-omgevingseffecten = genetische aanleg en omgeving (nature en nurture)
beïnvloeden kinderen op drie manieren
1. passief gen-omgevingseffect → ouders dragen zowel genen als omgeving over
aan hun kinderen (stel kindje heeft het in de genen om vechter te worden en ouders
pushen ook dat ze op judo gaat → perfect voorbeeld van passief)
→ kind is passief (doet er zelf niets aan) op zoek
2. actief gen-omgevingseffect → kinderen hebben genetische aanleg voor iets en
gaan zelf op zoek naar iets wat bij hun past (bvb mathilda → in de genen heel slim →
ging zelf op zoek naar bibliotheek dus nurture niet van invloed)
→ kind is actief (zelf) op zoek
3. evocatief gen-omgevingseffect → kinderen hebben genetische aanleg (nature) en
lokt deze uit door de omgeving (nurture) (bvb iemand ziet jou en zegt: ‘he volgens mij
is boksen wel wat voor jou’ → wordt niet gepusht maar op subtiele manier)
→ kind is evocatief (lokt reacties uit) op zoek
diathesis stress model vs differential susceptibility hypothesis (Belsky)
Diathesis stress model
aandoeningen ontstaan door een combinatie van aanleg (diathese) en de stressvolle
omstandigheden die dat activeren bvb faalangst (als je vanuit jezelf stressgevoelig bent is
dat geen probleem, totdat je in een stressvolle situatie komt)
→ sommige mensen zijn gewoon kwetsbaar, helaas niks aan te doen
differential susceptibility hypohtese (DSH)
gevoeligheid kan negatieve, maar ook juist positieve impact hebben
bvb de persoon die heel stressgevoelig is en daardoor onderpresteert in stressvolle
situaties, is ook de persoon die gevoelig is voor een goede, warme, sensitieve omgeving →
en zal extra goed doen in een chille omgeving
→ gevoelens die jou kwetsbaar maken maken jou ook sterk
, hoorcollege 2
fysieke en motorische ontwikkeling
het belang van bewegen
pedagogisch belang → gezond voor het kind → gezondheid is belangrijk onderdeel van
ontwikkeling en gezondheid van een kind
jeugd van kinderen → kinderen leren van bewegen
bvb kruipen → je leert met eerst links been naar voor dan rechts → ook met lezen dus je
leert ervan
❖ bij fysiek of lichamelijke ontwikkeling → gaat om je lichaam en eet, beweeg- en
slaapgedrag
❖ motorische ontwikkeling → gaat over beweging
- constante aanpassing
- leeftijdsafhankelijk (kind van 0 dat nog niet kan staan is niet gek, maar kind
van 2 dat nog niet kan staan is wel gek)
- sequentieel = het zijn opvolgende fase (bouwt op elkaar voort)
- in relatie met sociale, psychische en fysiologische processen
vier principes van groei !! (zie hc 2 min. 50)
★ cefalocaudale principe → je groeit van hoofd naar staart (eerst ontwikkelt je hoofd en
daarna de rest)
★ proximodistaal principe → je groeit van binnen naar buiten (je hebt in het begin bvb
eerst meer controle over je buik dan over je vingers en tenen)
★ principe van hiërarchische integratie → je groeit van simpel naar complex (eerst
ontwikkel je simpele vaardigheden dan moeilijke → denk aan sequentieel)
★ principe van die onafhankelijkheid van systemen → je verschillende systemen
groeien onafhankelijk (bvb motorische vaardigheden staat los van je cognitieve
vaardigheden)
grove motoriek = grote bewegingen (grof) → bvb omrollen, rammelaar vastpakken, loslopen
fijne motoriek = kleine bewegingen (precies) → kralenketting rijgen, moeilijke kleurplaat
dynamische systeemtheorie
= hoe motorische vaardigheden zich in samenhang met
de rest (alle andere ontwikkelingen) ontwikkelt
→ ontwikkeling is geen lineair proces, maar een
wisselwerking
(bvb bij kruipen, daar komen heel veel verschillende
ontwikkelingen samen → eerst omgeving vertrouwen,
goed kijken, fysieke ontwikkeling, intrinsieke motivatie,
evenwicht houden, hersenen etc)
→ hierbij belangrijk: interactionele benadering = het idee
dat ontwikkeling plaatsvindt door interactie
→ je leert bvb niet alleen rekenen door sommen te
maken, maar ook door het er thuis over te hebben,
dingen van de tv op te pikken)