College 1
Leerdoel 1: Kunnen benoemen hoe we energie uit voeding/ macronutriënten halen
Metabolisme (stofwisseling):
- Anabolisme: opbouw van stoffen (kost ATP)
- Katabolisme: afbraak van stoffen (levert ATP)
Energie uit nutriënten:
Nutriënt Energie Bouwstof Reguleren
Macronutriënten Koolhydraten +
Eiwitten + +
Vetten + +
Micronutriënten Vitaminen +
Mineralen + +
Water Water + +
1 kcal = 4,18 kJ
Atwater factoren (energiedichtheid): hoeveelheid energie per gram product (energie/gram)
- Eiwitten: 4 kcal/gram eiwit
- Koolhydraten: 4 kcal/gram koolhydraat
- Vetten: 9 kcal/gram vet
- Alcohol: 7 kcal/gram alcohol
Voedingsmiddelen met lage energiedichtheid (weinig calorieën, veel volume) worden vaak
aanbevolen voor gewichtsbeheersing. Voedingsmiddel met veel water hebben lage energiedichtheid.
Nutriënt-dichtheid: hoeveelheid ‘belangrijke’ nutriënten/energie
hoeveelheid eiwit, vezel, vitaminen, mineralen per 100 kcal
Leerdoel 2: Vorm, functies, voedingsbronnen, en metabolisme van koolhydraten kunnen benoemen
Koolhydraten:
- Bestaan uit koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen
- 45% van energie-inname bestaat uit koolhydraten
- ADH is tussen 40-70% van energie-inname moet bestaan uit koolhydraten
onder 40%: spierweefselafbraak
boven 70%: onvoldoende ruimte voor inname van vetten en eiwitten
- Opbouw en afbraak vindt plaats door hydrolyse- en condensatiereacties
hydrolyse: afbraak (water nodig) en condensatie: opbouw (water komt vrij)
Koolhydraten opslaan:
- Overmatige koolhydraten worden opgeslagen als glycogeen (klein deel) en vet (groter deel)
glycogeen wordt getransporteerd naar de lever (1/3) en spieren (2/3)
- Voorraad is voldoende voor ongeveer één dag in rust of 1-3 uur fysieke activiteit
Koolhydraten gebruiken:
- Twee á drie uur na een maaltijd gebruikt het lichaam glycogeen en vet voor energie
- Indien koolhydraatvoorraad uitgeput raakt (na 24h vasten), dan breekt lichaam spierweefsel af voor
energietoevoer
1
,Bloedsuikerregulatie:
- Aangestuurd door de alvleesklier
- Betrokken hormonen:
glucagon: omzetten glycogeen in glucose
insuline: omzetten glucose in glycogeen
- Verstoorde bloedsuikerregulatie:
diabetes type 1: geen insulineproductie door een probleem in de alvleesklier
diabetes type 2: cellen reageren niet goed op insuline (insulineresistentie)
- Verhoogd bloedsuiker: overmatig plassen/dorst
- Verlaagd bloedsuiker: trillen/zweten/duizeligheid/honger
Glycemische index (GI):
- Snelheid waarmee koolhydraten worden afgebroken tot glucose
- Veel variatie binnen vaststellen glycemische index
- Van relatief weinig voedingsmiddelen bekend
- Beïnvloed door: bestanddelen maaltijd, bereidingswijze en metabolisme individu
Indeling koolhydraten:
Monosachariden Disachariden Oligosachariden Polysachariden
1 sacharide 2 sachariden 3-9 sachariden > 9 sachariden
Glucose Maltose Raffinose Glycogeen (opslag glucose
Fructose (zoete (afbraakproduct Maltrodextrine mens/dier)
smaak in fruit) zetmeel) Fructus oligosachariden Zetmeel (verteerbaar, opslag
Galactose Sacharose Galacto oligosachariden glucose in plant)
Lactose Vezels (onverteerbaar, levert
nauwelijks/geen energie)
Onoplosbare voedingsvezels:
- Onverteerbaar
- Aanwezig in volkoren producten en bepaalde groenten
- Effecten in lichaam: vasthouden van water, versnellen van darmpassage
- Gezondheidseffecten: helpen tegen constipatie, preventie diverticulosis, aambeien en mogelijke rol
in gewichtscontrole
Oplosbare voedingsvezels:
- Verteerbaar
- Aanwezig in fruit, groenten en peulvruchten
- Effecten in lichaam: verlagen cholesterol, vertragen passage voeding door maagdarmstelsel,
vasthouden van water, zacht maken van feces, energievoorziening
Zoetstoffen:
- Zoeter dan suiker, maar bevatten weinig calorieën
- Terwijl normale suikers ongeveer 4 kcal per gram product bevatten, bevatten zoetstoffen ongeveer
1,6-2,6 kcal per gram product
- Opgebouwd uit aminozuren
- Beperkt en geen overtuigend bewijs dat er sprake is van vergrote kans op kanker
2
, College 2
Leerdoel 3: Beschrijven functie en anatomie maagdarmkanaal.
Functie maagdarmkanaal:
- Vertering van voeding
- Absorptie voedingsstoffen
- Uitscheiden afvalstoffen
Beweging van voedsel in maagdarmkanaal vindt plaats door:
- Slokdarmsfincters (boven/onder)
- Pylorus (maag-dunne darm)
- Ileocaecale klep (dunne-dikke darm)
- Rectale spier (ontlasting)
Anatomie maagdarmkanaal:
1. Orofarynx (mond- en keelholte)
speekselklieren (produceren 1500 ml/dag)
2. Oesophagus (slokdarm)
spierlagen voor peristaltiek
binnenste laag: circulair lopend
buitenste laag: longitudinaal lopen
3. Gaster (maag)
productie HCl; veroorzaakt omzetting pepsinogeen tot pepsine
bestaat uit Fundus (a), Corpus (b), Antrum (c), Pylorus (d)
dagelijkse productie van 1500ml maagsap
alcohol wordt met name opgenomen in de maag
4. Lever, gal en galwegen
lever geeft GEEN verteringsenzymen af, enkel de galblaas
functies van lever, gal en galwegen:
metabolisme van eiwitten, koolhydraten en vetten
ontgiften door afbraak medicatie, verwijderen ureum (afbraakproduct bij omzetting
aminozuren) en bilirubine
productie van gal
opslag van vitaminen, glycogeen en bloed
5. Pancreas (alvleesklier)
endocriene functie: aanmaak hormonen glucagon en insuline rechtstreeks naar de bloedbaan
exocriene functie: productie spijsverteringsenzymen voor vertering
vertering vindt plaats in twaalfvingerige darm (eerste deel van dunne darm)
6. Dunne darm
Duodenum (12-vingerige darm): uitmonding van galwegen en pancreas
Jejunum (nuchtere darm): absorptie van eiwitten, vetten, koolhydraten en vitamines
Ileum (kronkeldarm): absorptie van vocht en reabsorptie van vitamine B12
7. Colon (dikke darm)
absorptie water, elektrolyten, korte ketenvetzuren
opslag onverteerbare resten (zoals vezels)
rol in het afweersysteem door de aanwezigheid van een gezond microbioom (darmflora)
3