Kennistoets: inleiding in de pedagogiek
Toetsdoel 1 Wat biedt de pedagogiek?
De term ‘pedagogiek’ is afgeleid van het Griekse woord paidagoogia. ‘Pais’
betekent kind en ‘agogein’ betekent leiden, oftewel ‘kinderleiding.’
Opvoedkunde = richt zich op de vaardigheden van de opvoeder.
Opvoedingsleer = richt zich op het vergaren van kennis over opvoeden.
Opvoedingswetenschap = richt zich op het ontwikkelen van theorieën over en
methoden met betrekking tot opvoeden.
Pedagogiek is een opvoedingswetenschap met eigen theorieën en methoden.
Daardoor heeft ze een zelfstandige positie verworven binnen het
wetenschappelijk denken. De pedagogiek ontleent zijn theoretische gegevens
ook aan andere wetenschappen. In de meeste gevallen maakt men gebruik van
de psychologische, sociologische, filosofische, theologische (levensbeschouwing)
en andragogische wetenschappen deze worden door pedagogen
hulpwetenschappen genoemd.
Het principe van het kunnen leren vindt pas erkenning wanneer opvoedelingen
worden uitgedaagd en gestimuleerd om zelf, actief, aan hun opvoeding en
vorming mee te werken. Opvoeding en vorming is niet iets wat kinderen
overkomt, wat zij passief ondergaan of wat hun wordt aangedaan. Kinderen
worden uitgedaagd tot zelf, zelfstandig, denken en doen. Zij worden als subject
aangesproken op hun mogelijkheid tot zelfstandig handelen.
,Toetsdoel 2 Historisch besef
Het empirisme en het rationalisme zijn twee pedagogische stromingen die
opkwamen in de zeventiende eeuw.
1. Empirisme = een filosofische stroming waarin gesteld wordt dat kennis
voortkomt uit ervaring.
Waarneming is hierbij heel belangrijk, omdat kennis vergaard wordt door
waar te nemen. Men kan pas generaliseren als er regelmatig en veelvuldig
observatie heeft plaatsgevonden (inductie). Door systematisch en
doelbewust te experimenteren kunnen algemene stelling worden
geformuleerd.
2. Rationalisme = een filosofische stroming wat zich richt op theoretische
kennis.
Het rationalisme gaat ervan uit dat het denken de meest betrouwbare bron
van kennis is. Het criterium van waarheid is intellectueel en deductief
afleidbaar. Wat betreft opvoeding en onderwijs ligt de nadruk op formele
scholing en training van het cognitief vermogen van de mens.
Een belangrijke vertegenwoordiger van het rationalisme is René Descartes.
In de achttiende eeuw wordt de pedagogiek gedomineerd door een
intellectuele stroming die bekend staat als de Verlichting.
De Verlichting heeft invloed gehad op politiek, filosofisch, wetenschappelijk en
religieus niveau. Verlichte denkers gaan ervan uit dat men de waarheid alleen
kan bewijzen met behulp van theorie en het verstand. Er zijn twee redenen
waarom de Verlichting een pedagogische kant hadden:
1. Ze hadden de opvatting dat de mens van nature gelijk is, maar onder
invloed van zijn omgeving ten opzichte van zijn medemens kan verschillen.
Het milieu wordt als bepalend voor de menselijke ontwikkeling gezin,
waarbij de opvoeding een grote rol speelt. Opvoedbaarheid van het
individu is het sleutelbegrip voor het verlichte denken, evenals de
maakbaarheid van de samenleving.
2. De denkbeelden van de Verlichting heeft zich d.m.v. de volksopvoeding
verspreid. Deze verspreiding heeft gezorgd voor nieuwe inzichten op
maatschappelijk en wetenschappelijk niveau.
Jean-Jacques Rousseau is de bekendste pedagoog uit de achttiende eeuw. Zijn
denkwijze is het beste te begrijpen vanuit de cultuurkritiek waarbij hij inging
tegen kerkelijke en wereldlijke machthebbers. Hij gaat uit van het goede in ieder
mens. Daarbij streeft de mens naar een samenleving die de mogelijkheid biedt
van een leven van zuiverheid en oprechtheid, volgens de normen van het eigen
geweten. Rousseau is van mening dat de opvoeder het kind niets moet
opdringen. Door de gevolgen van zijn gedrag te ervaren, leert het kind meer dan
wanneer hem dingen worden verboden.
,Vanaf 1800, de negentiende eeuw, groeit de Romantiek uit tot een dominante
stroming in de pedagogiek, die een bepaalde eenzijdigheid van de Verlichting
corrigeert. Kenmerken voor de Romantiek is de specifieke interesse in dimensies
van het menselijk bestaan. Het onbewuste is een ontdekking van de romantiek,
die de nadruk legt op de oorsprong van verbeelding en fantasie. De verlichte
zoektocht naar het wezenlijke van de mens komt tot uiting in de romantische
ontdekking van de uniciteit (er is er maar 1 van) van ieder mens. In de
Romantiek staat het gevoelsleven centraal.
Friedrich Fröbel is een beroemde kleuterpedagoog uit de Romantiek. Hij
ontwikkelt zijn eigen lesmethode voor het jongste kind. Hij is ervan overtuigd dat
vooral de opvoeding thuis hervormd dient te worden en dat kleuters getraind
dienen te worden in hun spelend bezig zijn. Het doel is dus om door middel van
spel, speel- en leermateriaal de ontwikkeling van het kind te stimuleren te
bevordering van de schoolrijpheid.
Tegen het einde van de negentiende eeuw bracht de reformpedagogiek een
vernieuwingsbeweging op gang. De reformpedagogen probeerden verdrukking
van kinderen met hun individuele aanleg en specifieke activiteitsdrang te
voorkomen. Hiervoor hanteerden ze de volgende vijf uitgangspunten:
1. Kindgerichtheid
Het kind staat centraal en niet de lesstof.
2. Opvoeders hebben een groot vertrouwen
Dwang en autoriteit is er niet.
3. Lichamelijke ontwikkeling en kunstzinnige vorming is even belangrijk als
rekenen en taal
4. Ze hechten waarde aan het spontaan spelen
Een kind kan niet de hele dag stilzitten.
5. Er wordt gekeken naar het kind als individu
Samenwerken speelt een belangrijke rol, want je leert niet alleen voor
jezelf.
, Toetsdoel 3 Definitie opvoeden
Definitie volgens Becker:
Opvoeding is alle omgang tussen ouder en kind waarbij gericht een relatie wordt
aangegaan. In deze omgang biedt de ouder het kind liefde, geborgenheid,
veiligheid, intimiteit, aandacht, grenzen, instructie, ondersteuning en controle.
Hierdoor zal het kind tot zelfontplooiing komen en over het nodige zelfvertrouwen
en den nodige zelfstandigheid en zelfredzaamheid beschikken om richting te
geven aan zijn verdere leven.
Er is sprake van opvoeding als de volgende drie punten spelen in de omgang
tussen de ouder en het kind:
1. Wederzijds respect.
2. Voldoende veiligheid. Heeft vertrouwen in, kan rekenen op, voelt zich
geaccepteerd door en krijgt ondersteuning van ouder.
3. Het kind mag eigen beslissingen nemen en experimenteren met nieuwe
dingen, waardoor hij vertrouwen krijgt in zijn omgeving.
Toetsdoel 1 Wat biedt de pedagogiek?
De term ‘pedagogiek’ is afgeleid van het Griekse woord paidagoogia. ‘Pais’
betekent kind en ‘agogein’ betekent leiden, oftewel ‘kinderleiding.’
Opvoedkunde = richt zich op de vaardigheden van de opvoeder.
Opvoedingsleer = richt zich op het vergaren van kennis over opvoeden.
Opvoedingswetenschap = richt zich op het ontwikkelen van theorieën over en
methoden met betrekking tot opvoeden.
Pedagogiek is een opvoedingswetenschap met eigen theorieën en methoden.
Daardoor heeft ze een zelfstandige positie verworven binnen het
wetenschappelijk denken. De pedagogiek ontleent zijn theoretische gegevens
ook aan andere wetenschappen. In de meeste gevallen maakt men gebruik van
de psychologische, sociologische, filosofische, theologische (levensbeschouwing)
en andragogische wetenschappen deze worden door pedagogen
hulpwetenschappen genoemd.
Het principe van het kunnen leren vindt pas erkenning wanneer opvoedelingen
worden uitgedaagd en gestimuleerd om zelf, actief, aan hun opvoeding en
vorming mee te werken. Opvoeding en vorming is niet iets wat kinderen
overkomt, wat zij passief ondergaan of wat hun wordt aangedaan. Kinderen
worden uitgedaagd tot zelf, zelfstandig, denken en doen. Zij worden als subject
aangesproken op hun mogelijkheid tot zelfstandig handelen.
,Toetsdoel 2 Historisch besef
Het empirisme en het rationalisme zijn twee pedagogische stromingen die
opkwamen in de zeventiende eeuw.
1. Empirisme = een filosofische stroming waarin gesteld wordt dat kennis
voortkomt uit ervaring.
Waarneming is hierbij heel belangrijk, omdat kennis vergaard wordt door
waar te nemen. Men kan pas generaliseren als er regelmatig en veelvuldig
observatie heeft plaatsgevonden (inductie). Door systematisch en
doelbewust te experimenteren kunnen algemene stelling worden
geformuleerd.
2. Rationalisme = een filosofische stroming wat zich richt op theoretische
kennis.
Het rationalisme gaat ervan uit dat het denken de meest betrouwbare bron
van kennis is. Het criterium van waarheid is intellectueel en deductief
afleidbaar. Wat betreft opvoeding en onderwijs ligt de nadruk op formele
scholing en training van het cognitief vermogen van de mens.
Een belangrijke vertegenwoordiger van het rationalisme is René Descartes.
In de achttiende eeuw wordt de pedagogiek gedomineerd door een
intellectuele stroming die bekend staat als de Verlichting.
De Verlichting heeft invloed gehad op politiek, filosofisch, wetenschappelijk en
religieus niveau. Verlichte denkers gaan ervan uit dat men de waarheid alleen
kan bewijzen met behulp van theorie en het verstand. Er zijn twee redenen
waarom de Verlichting een pedagogische kant hadden:
1. Ze hadden de opvatting dat de mens van nature gelijk is, maar onder
invloed van zijn omgeving ten opzichte van zijn medemens kan verschillen.
Het milieu wordt als bepalend voor de menselijke ontwikkeling gezin,
waarbij de opvoeding een grote rol speelt. Opvoedbaarheid van het
individu is het sleutelbegrip voor het verlichte denken, evenals de
maakbaarheid van de samenleving.
2. De denkbeelden van de Verlichting heeft zich d.m.v. de volksopvoeding
verspreid. Deze verspreiding heeft gezorgd voor nieuwe inzichten op
maatschappelijk en wetenschappelijk niveau.
Jean-Jacques Rousseau is de bekendste pedagoog uit de achttiende eeuw. Zijn
denkwijze is het beste te begrijpen vanuit de cultuurkritiek waarbij hij inging
tegen kerkelijke en wereldlijke machthebbers. Hij gaat uit van het goede in ieder
mens. Daarbij streeft de mens naar een samenleving die de mogelijkheid biedt
van een leven van zuiverheid en oprechtheid, volgens de normen van het eigen
geweten. Rousseau is van mening dat de opvoeder het kind niets moet
opdringen. Door de gevolgen van zijn gedrag te ervaren, leert het kind meer dan
wanneer hem dingen worden verboden.
,Vanaf 1800, de negentiende eeuw, groeit de Romantiek uit tot een dominante
stroming in de pedagogiek, die een bepaalde eenzijdigheid van de Verlichting
corrigeert. Kenmerken voor de Romantiek is de specifieke interesse in dimensies
van het menselijk bestaan. Het onbewuste is een ontdekking van de romantiek,
die de nadruk legt op de oorsprong van verbeelding en fantasie. De verlichte
zoektocht naar het wezenlijke van de mens komt tot uiting in de romantische
ontdekking van de uniciteit (er is er maar 1 van) van ieder mens. In de
Romantiek staat het gevoelsleven centraal.
Friedrich Fröbel is een beroemde kleuterpedagoog uit de Romantiek. Hij
ontwikkelt zijn eigen lesmethode voor het jongste kind. Hij is ervan overtuigd dat
vooral de opvoeding thuis hervormd dient te worden en dat kleuters getraind
dienen te worden in hun spelend bezig zijn. Het doel is dus om door middel van
spel, speel- en leermateriaal de ontwikkeling van het kind te stimuleren te
bevordering van de schoolrijpheid.
Tegen het einde van de negentiende eeuw bracht de reformpedagogiek een
vernieuwingsbeweging op gang. De reformpedagogen probeerden verdrukking
van kinderen met hun individuele aanleg en specifieke activiteitsdrang te
voorkomen. Hiervoor hanteerden ze de volgende vijf uitgangspunten:
1. Kindgerichtheid
Het kind staat centraal en niet de lesstof.
2. Opvoeders hebben een groot vertrouwen
Dwang en autoriteit is er niet.
3. Lichamelijke ontwikkeling en kunstzinnige vorming is even belangrijk als
rekenen en taal
4. Ze hechten waarde aan het spontaan spelen
Een kind kan niet de hele dag stilzitten.
5. Er wordt gekeken naar het kind als individu
Samenwerken speelt een belangrijke rol, want je leert niet alleen voor
jezelf.
, Toetsdoel 3 Definitie opvoeden
Definitie volgens Becker:
Opvoeding is alle omgang tussen ouder en kind waarbij gericht een relatie wordt
aangegaan. In deze omgang biedt de ouder het kind liefde, geborgenheid,
veiligheid, intimiteit, aandacht, grenzen, instructie, ondersteuning en controle.
Hierdoor zal het kind tot zelfontplooiing komen en over het nodige zelfvertrouwen
en den nodige zelfstandigheid en zelfredzaamheid beschikken om richting te
geven aan zijn verdere leven.
Er is sprake van opvoeding als de volgende drie punten spelen in de omgang
tussen de ouder en het kind:
1. Wederzijds respect.
2. Voldoende veiligheid. Heeft vertrouwen in, kan rekenen op, voelt zich
geaccepteerd door en krijgt ondersteuning van ouder.
3. Het kind mag eigen beslissingen nemen en experimenteren met nieuwe
dingen, waardoor hij vertrouwen krijgt in zijn omgeving.