HOOFDSTUK 1: WEGWIJS IN HET EUROPESE RECHT
Het VEU en het VWEU zijn het primaire recht van de Europese Unie. Het Werkingsverdrag is de
uitwerking van het algemene kader van de EU. Beide verdragen hebben dezelfde juridische status:
art. 1 lid 2 VWEU. Sinds het Verdrag van Lissabon kennen we alleen nog maar de Europese Unie.
Maar er was (nog) geen sprake van een Europese staat. Het Verdrag van Lissabon bepaalt tevens dat
de Unie zal toetreden tot het EVRM.
Grosso modo komt het erop neer dat de grote, constitutionele, regels zijn te vinden in het EU-Verdrag.
Daar staan de basisregels voor de instellingen en hun onderlinge relaties, de democratische
beginselen, de doelstellingen van de EU en de verhouding tot de burgers. Deze regels worden verder
uitgewerkt in het Werkingsverdrag, het VWEU geeft de regels handen en voeten. Naast het EU-
Verdrag en het Werkingsverdrag bestaan er ook door (een aantal van) de leden van de EU gesloten
verdragen die verband houden met het recht van de Europese Unie. En ook de nadere uitwerking,
toepassing en uitlegging van de bepalingen van de VEU en VWEU zijn een belangrijke bron van de
Europese Unie. Dat kan bijvoorbeeld plaatsvinden in de vorm van secundair recht. Het gaat daarbij
om optreden van de Unie op grond van het EU-Verdrag en/of Werkingsverdrag: besluiten,
verordeningen, richtlijnen. Alle regelgeving (besluiten, verordeningen, richtlijnen) wordt
bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. De L-serie bevat wetgeving en de C-
serie bevat al het andere.
Niet minder belangrijk dan het primaire en secundaire recht is de rechtspraak van de rechtsprekende
instanties van de Europese Unie: Hof van Justitie en het Gerecht.
HOOFDSTUK 2: HET INSTITUTIONELE KADER VAN DE EUROPESE UNIE
2.1 Inleiding
Met het in werking treden van de Verdragen van Parijs en Rome hebben de lidstaten, zoals het Hof dit
in de beroemde zaken Van Gend en Loos en Costa/ENEL heeft beschreven, een nieuwe rechtsorde
gecreëerd. De lidstaten hebben ten gunste van deze rechtsorde hun soevereiniteit op bepaalde
terreinen beperkt. Omdat de lidstaten hun bevoegdheden dus gedeeltelijk aan de Europese
Gemeenschap (thans Unie) hebben overgedragen, werd het noodzakelijk om door middel van de
verdragen een institutioneel stelsel in het leven te roepen om deze gemeenschap
handelingsbekwaam te maken. De Unie heeft met andere woorden behoefte aan een bestuur.
Met het Verdrag van Lissabon bezit de Europese Unie eigen rechtspersoonlijkheid. Zij heeft een
uniform institutioneel kader, waarbij sprake is van instellingen, organen en instanties van de Unie.
Men spreekt slechts van instellingen met betrekking tot de in art. 13 VEU genoemde lichamen.
Daarnaast wordt zowel in het EU-Verdrag als in het Werkingsverdrag ook naar de „organen en
instanties van de Unie‟ verwezen. Dat zijn alle overige, niet in art. 13 lid 1 VEU omschreven lichamen.
2.2 Het Europese Parlement
2.2.1 Inleiding
Het Europees Parlement heeft zijn zetel in principe in Straatsburg. De commissies van het Europees
Parlement zijn in Brussel gevestigd. Behalve in het Werkingsverdrag zij de details van de werking van
het Europees Parlement geregeld in het Reglement van het Europese Parlement.
Het Europese Parlement is de enige instelling van de Unie die zijn legitimatie rechtstreeks aan de
onderdanen van de lidstaten, en dus de burgers van de Unie, ontleent. Het Europese Parlement als
Unie-instelling verzekert een directe terugkoppeling van het supranationale niveau naar de bevolking
van de lidstaten.
Sinds het Verdrag van Lissabon komt de nationale parlementen een belangrijke rol toe inzake de
handhaving van het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel. Ook zijn de nationale parlementen
betrokken bij de procedures inzake de herziening van de verdragen en toetreding tot de unie.
Het Europees Parlement oefent niet dezelfde functies uit die gewoonlijk met een nationaal parlement
verbonden zijn. Allereerst geeft het EP niet de grondslag aan een Europese regering en daarnaast zijn
de wetgevingsbevoegdheden beperkter.
1
, 2.2.2 Samenstelling en verkiezingsprocedure
Volgens art. 14 lid 2 VEU mag het aantal ledenniet meer dan 750 leden, plus de voorzitter, bedragen.
Onverminderd de mogelijkheid van een verdragswijziging is het aantal leden per lidstaat dus ook
afhankelijk van het aantal (nieuwe) lidstaten van de EU.
De leden van het EP worden elke vijf jaar door rechtstreekse algemene verkiezingen in alle lidstaten
gekozen. Het Unierecht bepaalt geen uniform verkiezingssysteem. Daarom zijn in principe de
nationale verkiezingswetten en procedures van de lidstaten van toepassing. Door het Unierecht wordt
alleen een minimumstandaard geïntroduceerd. De leden van het Europees Parlement moeten worden
gekozen door middel van rechtstreekse, algemene, vrije en geheime verkiezingen.
Elke burger van de EU, en dus eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit, mag in de lidstaat
van zijn verblijf onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat voor het EP stemmen en
bovendien onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat als lid voor het EP worden
gekozen. De Raad heeft minimumvoorwaarden opgesteld betreffende de wijze van uitoefening van
het actief en passief kiesrecht, waaraan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de
lidstaten moeten voldoen.
Wat betreft de kwalificatie van kandidaten schrijft het Unierecht voor dat leden van het EP niet leden
van een regering van een lidstaat of van een andere instelling, orgaan of instantie van de Unie mogen
zijn, omdat zij niet gebonden mogen zijn door instructies.
2.2.3 Taken
De taken van het EP worden in eerste instantie in art. 223 tot en met 234 VWEU omschreven en
vloeien voort uit een reeks andere bepalingen in het Werkingsverdrag en het Reglement van orde van
het EP. Deze taken kunnen in drie basisfuncties worden onderverdeeld: het Europees Parlement als
quasiwetgevingsorgaan, als democratische controle-instantie en als budgethouder.
- Het Europees Parlement als quasiwetgevingsorgaan
Het EP heeft zo goed als geen bevoegdheid om zelf wetgevingsvoorstellen in te brengen. Het
kanalleen met meerderheid van stemmen van zijn leden de Europese Commissie door middel van een
resolutie verzoeken om voorstellen voor nieuwe of wijziging van bestaande Uniewetgeving aan het EP
voor te leggen. Het EP neemt alleen deel aan het tot stand komen van Uniewetgeving samen met de
Europese Commissie en de Raad. De omvang van de invloed van het EP hangt af van de toegepaste
wetgevingsprocedure. In geval van de gewone wetgevingsprocedure hebben ze een
medebeslissingsbevoegdheid naast de Raad.
- Het Europees Parlement als democratische controle-instantie
Het EP heeft hier een rol als toezichthouder. Het EP kan onderzoeken instellen bij vermeende
inbreuken op het Unierecht of bij gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het Unierecht.
Hiervoor kan het EP enquêtecommissies in het leven roepen. Het EP kan Unie-instellingen en
lidstaten om medewerking vragen en getuigen horen.
Naast de participatie in de benoeming van de Europese Commissie(art. 249 lid 2 en 233 VWEU) is het
EP ook betrokken bij de controle van de werkzaamheden van de Europese Commissie. De Europese
Commissie is verplicht om jaarlijks het algemeen verslag over de werkzaamheden van de Unie aan
het EP voor te leggen. Andere bronnen van informatie zijn het Bulletin van de Europese Unie (over de
werkzaamheden van Unie-instellingen) en de beleidsstrategie van de EC. Daarnaast heeft het EP
vraagrecht ten opzichte van de EC (art. 230 tweede alinea VWEU). Het EP kan tevens een motie van
afkeuring aanhangig maken, die wordt aangenomen als twee derde van de uitgebrachte stemmen en
tevens een meerderheid van de leden voor de motie stemmen. De EC is dan verplicht om als college,
dat wil zeggen gezamenlijk, af te treden.
Het EP controleert de werkzaamheden van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) en de
Europese Centrale Bank (ECB)door middel van een door de president van de ECB voorgelegd
algemeen jaarverslag (art. 284 lid 3 VWEU). Als Unie-insteling kan het EP in het uiterste geval ook het
Hof inschakelen. Het EP heeft een bevoorrecht beroepsrecht tegen handelingen en nalaten van
instellingen, organen en instanties van de Unie (art. 263 en 265 VWEU).
- Het Europees Parlement als budgethouder.
Het EP stelt aan het eind van ieder jaar samen met de Raad de begroting van de EU voor het
volgende begrotingsjaar vast, op basis van een door de Commissie opgestelde ontwerpbegroting en
volgens de bijzondere wetgevingsprocedure vastgesteld in art. 314 VWEU. Het EP controleert door
middel van zijn vaste commissies voor begroting en de begrotingscontrole de uitvoering van de
lopende begroting. De commissie brengt een kwijtingverslag uit (kwijting = verklaring dat een schuld is
afgelost).
2