HS 1
Meeste gedrag is een mix van aangeboren en aangeleerd
Encefalisatiequotiënt EQ = feitelijk hersengewicht, verwacht hersengewicht obv lichaamsgewicht
Hoe kon ons brein zo groot worden
Leeftwijze
E iciënte koeling
Neotenie = eigenschappen uit juveniele fase v voorouders behouden in nakomelingen
,HS 2
1. Rostraal, anterieur
2. Caudaal, posterieur
3. Superieur, dorsaal
4. Inferieur, ventraal
5. Superieur, rostraal
6. Inferieur, caudaal
7. Ventraal, anterieur
8. Dorsaal, posterieur
Anatomische aanduidingen
Anterieur = richting voorkant
Caudaal = richting staart
Inferieur = onder
Superieur = boven
Lateraal = richting zijkant
Mediaal = richting midden
Posterieur = richting staart
Rostraal = richting bek
Ventraal = richting buik
Brein beschermt
Dura mater -> arachnoïde -> pia mater
Cerebro Vasculair Accident
Ischemisch CVA = herseninfarct, afgesloten bloedvat door prop/vernauwing = O2 tekort
Hemorragisch CVA = hersenbloeding, gebarsten/gescheurd bloedvat
Cerebrum: verschillende kwabben
Frontale kwab: uitvoerende hersenfuncties en emotionele verwerking
o Schade = moeite gedrag te organiseren, toekomstplannen
Occipitale kwab: visuele processen
o Schade = moeite met kleur- en objectherkenning
Temporale kwab: geluid en emotionele verwerking
o Gyrus temporalis superior en fissura lateralis
o Schade = moeite met gezichtsherkenning
Pariëtale kwab: sturen van bewegingen naar doel of uitvoeren van taken
o Sulcus centralis
o Schade = moeite met bewegen van armen en handen naar specifieke plekken
Binnen hersenen > buitenkant grijze stof = neuronen – binnenkant witte stof = axonen
Ruggenmerg > binnenkant grijze stof = neuronen – buitenkant witte stof = axonen
Ventrikelsysteem (gevuld met cerebrospinale vloeistof
1e en 2e in beide hemisferen
3e in tussenhersenen
4e tussen cerebellum en pons
Hersenweefsel: neuronen (primaire functies) en gliacellen (ondersteuning)
,Zenuwstelsel
Centrale: brein en ruggenmerg
Perifere
o Somatisch: vangt sensaties, produceert beweging, waarneming, infoverwerking
Hersenzenuwen en ruggenmergzenuwen
o Autonoom
Sympathisch: fight-flight
Acetylcholine (preganglionair) + norepinephrine (postganglionair)
Parasympatisch: rest-digest
Acetylcholine (preganglionair + postganglionair)
Hersenstam
Achterhersenen – rhombencephalon
o Motorische functies
o Metencephalon: pons (vitale functies) + cerebellum (timing en coördinatie van
complexe bewegingen)
o Myelencephalon: medulla oblongata (vitale functies)
Middenhersenen – mesencephalon
o Sensorische functies
o Genereren dopamine
o Cerebrale aquaduct en substantia nigra
Tussenhersenen – diencephalon
o Integratie sensorische en motorische info
o Thalamus: integreert sensorische info en stuurt naar hersenschors
o Hypothalamus: reguleert hormonproductie en homeostase
Grote hersenen
Basale ganglia
o Impliciet geheugen
o Controle en coördinatie van vrijwillige motorische bewegingen
o Substantia nigra en nucleus subtalamicus
Cerebrale cortex (hersenschors)
o Perceptie > waarneming
o Integratie v info
o Actie > gedrag
Ruggenmerg
5 segmenten: cervicaal, thorocaal, lumbaal, sacraal, coccygeaal
Segmenten bestaan uit dermatomen
o Sensorische zenuw a erent, dorsale posterieure hoorn (pijn, temp, tast)
o Motorische zenuw e erent, ventrale anterieure hoorn (spieren, reflexen)
Hersenzenuwen
Olfactorius = reuk Opticus = zicht Oculomotorius = oog Trochlearis = oog
Trigeminus = gezicht Abducens = oog Facialis = gelaat Vestibulocochlearis
Glossopharyngeus Vagus = hart, bloeddruk Accessorius = nek, hals Hypoglossus = tong
Aangezichtsverlamming van Bell = ontsteking van nervus facialis (oorzaak = virale infectie)
, HS 3
Neuronen
Veel dendrieten = verzamelen info van andere neuronen (input)
Cellichaam = integreren van info
Axon = info versturen (output)
Soorten neuronen
Sensorisch (input): lange dendriet, korte axon
Interneuron (associatie): korte dendriet, korte axon
Motorneuron (output): korte dendriet, lange axon
Gliacellen: fysieke steun, voedingssto en, verhogen geleiding, lijmen neuronen aan elkaar
Ependymcellen: produceren cerebrospinale vloeistof, metabolisme op gang helpen,
afvalsto en afvoeren
Astrocyten: ondersteunen hersenactiviteit, stimuleren herstel van beschadigd
hersenweefsel, transporteren voedingssto en, ondersteunen CZS, vormen nauwe
verbindingen tussen bloedvaten en neuronen = bloed-hersenbarrière
Microgliacellen: type macrofaag (immuunsysteem) > vallen lichaamsvreemd weefsel
aan, stimuleren groeifactoren (herstel), consumeren dood hersenweefsel
Oligodendrogliacellen: myeliniseren in CZS > verbeterde geleiding
Schwann cellen: myeliniseren in PZS > verbeterde geleiding, stimuleren aangroei van
beschadigde axonen
Structuur van (zenuw)cel
Celmembraan
o Bestaat uit 2 lagen fosfolipide moleculen
o Alleen kleine ongeladen moleculen kunnen dmv passief transport passeren
o Semipermeabel
Kanaal: laat specifieke ionen door
Poort: laat specifieke ionen door indien open
Pomp: actief transport (Na/K pomp)
Celkern
o Omgeven door nucleair membraan: reguleert wat cel in en uit gaat
o Bevat DNA: fosfaatgroep(en) + pentose + nucleobase (A/C/G/T)
o 23 paren chromosomen
22 autosomen
1 paar geslachtschromosomen
o Allelen = twee versies van een gen
Homozygoot = zelfde allelen
Heterozygoot = verschillende allelen
o Eiwitsynthese: DNA > mRNA > aminozuur > peptide > eiwit
Endoplasmatisch reticulum = eiwitproductie
Golgi apparaat: eiwitten verpakken en labelen
Microtubili: transport van sto en in de cel
Meeste gedrag is een mix van aangeboren en aangeleerd
Encefalisatiequotiënt EQ = feitelijk hersengewicht, verwacht hersengewicht obv lichaamsgewicht
Hoe kon ons brein zo groot worden
Leeftwijze
E iciënte koeling
Neotenie = eigenschappen uit juveniele fase v voorouders behouden in nakomelingen
,HS 2
1. Rostraal, anterieur
2. Caudaal, posterieur
3. Superieur, dorsaal
4. Inferieur, ventraal
5. Superieur, rostraal
6. Inferieur, caudaal
7. Ventraal, anterieur
8. Dorsaal, posterieur
Anatomische aanduidingen
Anterieur = richting voorkant
Caudaal = richting staart
Inferieur = onder
Superieur = boven
Lateraal = richting zijkant
Mediaal = richting midden
Posterieur = richting staart
Rostraal = richting bek
Ventraal = richting buik
Brein beschermt
Dura mater -> arachnoïde -> pia mater
Cerebro Vasculair Accident
Ischemisch CVA = herseninfarct, afgesloten bloedvat door prop/vernauwing = O2 tekort
Hemorragisch CVA = hersenbloeding, gebarsten/gescheurd bloedvat
Cerebrum: verschillende kwabben
Frontale kwab: uitvoerende hersenfuncties en emotionele verwerking
o Schade = moeite gedrag te organiseren, toekomstplannen
Occipitale kwab: visuele processen
o Schade = moeite met kleur- en objectherkenning
Temporale kwab: geluid en emotionele verwerking
o Gyrus temporalis superior en fissura lateralis
o Schade = moeite met gezichtsherkenning
Pariëtale kwab: sturen van bewegingen naar doel of uitvoeren van taken
o Sulcus centralis
o Schade = moeite met bewegen van armen en handen naar specifieke plekken
Binnen hersenen > buitenkant grijze stof = neuronen – binnenkant witte stof = axonen
Ruggenmerg > binnenkant grijze stof = neuronen – buitenkant witte stof = axonen
Ventrikelsysteem (gevuld met cerebrospinale vloeistof
1e en 2e in beide hemisferen
3e in tussenhersenen
4e tussen cerebellum en pons
Hersenweefsel: neuronen (primaire functies) en gliacellen (ondersteuning)
,Zenuwstelsel
Centrale: brein en ruggenmerg
Perifere
o Somatisch: vangt sensaties, produceert beweging, waarneming, infoverwerking
Hersenzenuwen en ruggenmergzenuwen
o Autonoom
Sympathisch: fight-flight
Acetylcholine (preganglionair) + norepinephrine (postganglionair)
Parasympatisch: rest-digest
Acetylcholine (preganglionair + postganglionair)
Hersenstam
Achterhersenen – rhombencephalon
o Motorische functies
o Metencephalon: pons (vitale functies) + cerebellum (timing en coördinatie van
complexe bewegingen)
o Myelencephalon: medulla oblongata (vitale functies)
Middenhersenen – mesencephalon
o Sensorische functies
o Genereren dopamine
o Cerebrale aquaduct en substantia nigra
Tussenhersenen – diencephalon
o Integratie sensorische en motorische info
o Thalamus: integreert sensorische info en stuurt naar hersenschors
o Hypothalamus: reguleert hormonproductie en homeostase
Grote hersenen
Basale ganglia
o Impliciet geheugen
o Controle en coördinatie van vrijwillige motorische bewegingen
o Substantia nigra en nucleus subtalamicus
Cerebrale cortex (hersenschors)
o Perceptie > waarneming
o Integratie v info
o Actie > gedrag
Ruggenmerg
5 segmenten: cervicaal, thorocaal, lumbaal, sacraal, coccygeaal
Segmenten bestaan uit dermatomen
o Sensorische zenuw a erent, dorsale posterieure hoorn (pijn, temp, tast)
o Motorische zenuw e erent, ventrale anterieure hoorn (spieren, reflexen)
Hersenzenuwen
Olfactorius = reuk Opticus = zicht Oculomotorius = oog Trochlearis = oog
Trigeminus = gezicht Abducens = oog Facialis = gelaat Vestibulocochlearis
Glossopharyngeus Vagus = hart, bloeddruk Accessorius = nek, hals Hypoglossus = tong
Aangezichtsverlamming van Bell = ontsteking van nervus facialis (oorzaak = virale infectie)
, HS 3
Neuronen
Veel dendrieten = verzamelen info van andere neuronen (input)
Cellichaam = integreren van info
Axon = info versturen (output)
Soorten neuronen
Sensorisch (input): lange dendriet, korte axon
Interneuron (associatie): korte dendriet, korte axon
Motorneuron (output): korte dendriet, lange axon
Gliacellen: fysieke steun, voedingssto en, verhogen geleiding, lijmen neuronen aan elkaar
Ependymcellen: produceren cerebrospinale vloeistof, metabolisme op gang helpen,
afvalsto en afvoeren
Astrocyten: ondersteunen hersenactiviteit, stimuleren herstel van beschadigd
hersenweefsel, transporteren voedingssto en, ondersteunen CZS, vormen nauwe
verbindingen tussen bloedvaten en neuronen = bloed-hersenbarrière
Microgliacellen: type macrofaag (immuunsysteem) > vallen lichaamsvreemd weefsel
aan, stimuleren groeifactoren (herstel), consumeren dood hersenweefsel
Oligodendrogliacellen: myeliniseren in CZS > verbeterde geleiding
Schwann cellen: myeliniseren in PZS > verbeterde geleiding, stimuleren aangroei van
beschadigde axonen
Structuur van (zenuw)cel
Celmembraan
o Bestaat uit 2 lagen fosfolipide moleculen
o Alleen kleine ongeladen moleculen kunnen dmv passief transport passeren
o Semipermeabel
Kanaal: laat specifieke ionen door
Poort: laat specifieke ionen door indien open
Pomp: actief transport (Na/K pomp)
Celkern
o Omgeven door nucleair membraan: reguleert wat cel in en uit gaat
o Bevat DNA: fosfaatgroep(en) + pentose + nucleobase (A/C/G/T)
o 23 paren chromosomen
22 autosomen
1 paar geslachtschromosomen
o Allelen = twee versies van een gen
Homozygoot = zelfde allelen
Heterozygoot = verschillende allelen
o Eiwitsynthese: DNA > mRNA > aminozuur > peptide > eiwit
Endoplasmatisch reticulum = eiwitproductie
Golgi apparaat: eiwitten verpakken en labelen
Microtubili: transport van sto en in de cel