Samenvatting marketing A2
Hoofdstuk 1: Statistische kengetallen
Statistiek = wetenschap die zich bezighoudt met de waarneming,
bestudering en analyse van massaverschijnselen.
Beschrijvende statistiek = dat deel vd statistiek dat zich bezighoudt met
de verwerking van gegevens en weergave van feiten, zodanig dat een
goed overzicht van de gegevens ontstaat.
Verklarende statistiek = verklaren van de samenhang tussen bepaalde
verschijnselen of het doen van voorspellingen over toekomstige situaties.
Frequentieverdeling kan weergegeven worden door histogram of
frequentiepolygoon. De top in een frequentiepolygoon wordt altijd bepaald
door de modus. De modus is de waarde die het vaakst voorkomt. De
mediaan is de middelste waarde.
Gemiddelde, mediaan en modus zijn maten voor de centrale tendentie. Als
deze maten niet aan elkaar gelijk zijn, is er sprake van een scheve
verdeling.
De spreiding is de mate waarin de individuele waarnemingen afwijken van
de centrale tendentie. Dit geeft de mate van variatie aan binnen een
verdeling. Er zijn 2 spreidingsmaatstaven:
- Variatiebreedte -> dit is het verschil tussen de hoogste en de laagste
waarneming.
- Standaarddeviatie -> gemiddelde afwijking van de waarnemingen
√
2
tov het gemiddelde. s= ∑(x −x)
n
Met:
o S = standaarddeviatie
o x = de waarneming
o x = het gemiddelde
o n = het aantal waarnemingen
Een indexcijfer is een verhoudingsgetal waarbij de waarde van een
verschijnsel in een bepaalde periode wordt uitgedrukt in procenten van de
waarde van hetzelfde verschijnsel in een andere periode.
- Enkelvoudige indexcijfers -> betrekking op 1 product/artikel
- Samengestelde indexcijfers -> opgebouwd uit gegevens van
verscheidene producten/artikelen
Hiermee kunnen prijs-, hoeveelheid- en waarde-index berekend worden.
,Hoofdstuk 2: De steekproeftheorie
Voorwaarden voor een steekproef:
- Voldoende omvang
- Representatief
- Aselect
Methoden van steekproeftrekking:
- Enkelvoudige steekproef -> aselecte steekproef waarbij ieder
element uit het steekproefkader een gelijke en berekende kans heeft
om getrokken te worden.
- Getrapte steekproef -> steekproefkader wordt gesplitst in groepen
waarna een aselecte steekproef van deze groepen (clusters) wordt
getrokken.
- Proportioneel gestratificeerde steekproef -> gestratificeerde
steekproef waarbij de verhoudingen van de strata (groepen) in de
steekproef gelijk zijn aan de verhoudingen van de strata in het
steekproefkader.
- Disproportioneel gestratificeerde steekproef -> gestratificeerde
steekproef waarbij de verhoudingen van de strata in de steekproef
ongelijk zijn aan de verhoudingen van de strata in het
steekproefkader (populatie).
- Random-walkmethode/startadressen-methode -> volgens toeval
wordt een straat met huisnummer als startadres getrokken.
- Quotasteekproef -> niet-aselecte steekproef waarbij de populatie op
basis van de belangrijk geachte variabelen wordt opgedeeld in een
aantal strata, waarna uit ieder stratum gericht een bepaald quotum
elementen geselecteerd wordt.
Validiteit = geldigheid of bruikbaarheid van de onderzoeksresultaten.
Betrouwbaarheid = juistheid van uitspraak.
Nauwkeurigheid = mate van exactheid.
Nauwkeurigheidsinterval: m=z
Waarbij:
√ p(100− p)
n
o m = nauwkeurigheidsgetal
o p = gevonden percentage in de steekproef
o n = grootte van de steekproef
o z = constante die samenhangt met de gewenste mate van
betrouwbaarheid
z-waardes:
Betrouwbaarheidsniveau z-waarde
95% 1,96
90% 1,65
Een vergroting van de steekproef leidt tot een vergroting van de
nauwkeurigheid. De nauwkeurigheid is tevens afhankelijk van het in de
steekproef aangetroffen resultaat.
, Steekproeffout = onnauwkeurigheid in de resultaten doordat er slechts
een steekproef wordt getrokken en niet de gehele populatie wordt
onderzocht.
Hoofdstuk 1: Statistische kengetallen
Statistiek = wetenschap die zich bezighoudt met de waarneming,
bestudering en analyse van massaverschijnselen.
Beschrijvende statistiek = dat deel vd statistiek dat zich bezighoudt met
de verwerking van gegevens en weergave van feiten, zodanig dat een
goed overzicht van de gegevens ontstaat.
Verklarende statistiek = verklaren van de samenhang tussen bepaalde
verschijnselen of het doen van voorspellingen over toekomstige situaties.
Frequentieverdeling kan weergegeven worden door histogram of
frequentiepolygoon. De top in een frequentiepolygoon wordt altijd bepaald
door de modus. De modus is de waarde die het vaakst voorkomt. De
mediaan is de middelste waarde.
Gemiddelde, mediaan en modus zijn maten voor de centrale tendentie. Als
deze maten niet aan elkaar gelijk zijn, is er sprake van een scheve
verdeling.
De spreiding is de mate waarin de individuele waarnemingen afwijken van
de centrale tendentie. Dit geeft de mate van variatie aan binnen een
verdeling. Er zijn 2 spreidingsmaatstaven:
- Variatiebreedte -> dit is het verschil tussen de hoogste en de laagste
waarneming.
- Standaarddeviatie -> gemiddelde afwijking van de waarnemingen
√
2
tov het gemiddelde. s= ∑(x −x)
n
Met:
o S = standaarddeviatie
o x = de waarneming
o x = het gemiddelde
o n = het aantal waarnemingen
Een indexcijfer is een verhoudingsgetal waarbij de waarde van een
verschijnsel in een bepaalde periode wordt uitgedrukt in procenten van de
waarde van hetzelfde verschijnsel in een andere periode.
- Enkelvoudige indexcijfers -> betrekking op 1 product/artikel
- Samengestelde indexcijfers -> opgebouwd uit gegevens van
verscheidene producten/artikelen
Hiermee kunnen prijs-, hoeveelheid- en waarde-index berekend worden.
,Hoofdstuk 2: De steekproeftheorie
Voorwaarden voor een steekproef:
- Voldoende omvang
- Representatief
- Aselect
Methoden van steekproeftrekking:
- Enkelvoudige steekproef -> aselecte steekproef waarbij ieder
element uit het steekproefkader een gelijke en berekende kans heeft
om getrokken te worden.
- Getrapte steekproef -> steekproefkader wordt gesplitst in groepen
waarna een aselecte steekproef van deze groepen (clusters) wordt
getrokken.
- Proportioneel gestratificeerde steekproef -> gestratificeerde
steekproef waarbij de verhoudingen van de strata (groepen) in de
steekproef gelijk zijn aan de verhoudingen van de strata in het
steekproefkader.
- Disproportioneel gestratificeerde steekproef -> gestratificeerde
steekproef waarbij de verhoudingen van de strata in de steekproef
ongelijk zijn aan de verhoudingen van de strata in het
steekproefkader (populatie).
- Random-walkmethode/startadressen-methode -> volgens toeval
wordt een straat met huisnummer als startadres getrokken.
- Quotasteekproef -> niet-aselecte steekproef waarbij de populatie op
basis van de belangrijk geachte variabelen wordt opgedeeld in een
aantal strata, waarna uit ieder stratum gericht een bepaald quotum
elementen geselecteerd wordt.
Validiteit = geldigheid of bruikbaarheid van de onderzoeksresultaten.
Betrouwbaarheid = juistheid van uitspraak.
Nauwkeurigheid = mate van exactheid.
Nauwkeurigheidsinterval: m=z
Waarbij:
√ p(100− p)
n
o m = nauwkeurigheidsgetal
o p = gevonden percentage in de steekproef
o n = grootte van de steekproef
o z = constante die samenhangt met de gewenste mate van
betrouwbaarheid
z-waardes:
Betrouwbaarheidsniveau z-waarde
95% 1,96
90% 1,65
Een vergroting van de steekproef leidt tot een vergroting van de
nauwkeurigheid. De nauwkeurigheid is tevens afhankelijk van het in de
steekproef aangetroffen resultaat.
, Steekproeffout = onnauwkeurigheid in de resultaten doordat er slechts
een steekproef wordt getrokken en niet de gehele populatie wordt
onderzocht.