WEEK 1
1. Met welk soort straling werkt een MRI-scan?
a) Röntgenstraling
b) Elektromagnetische straling
c) Radioactieve straling
2. Wat betekent ‘dolor’?
a) Warmte
b) Roodheid
c) Pijn
3. Palliatieve therapie is gericht op:
a) Verlichten van lijden
b) Genezen
c) Wegnemen van de verschijnselen
4. Welke uitspraak is juist?
a) Geneesmiddelen met een antagonistische werking binden aan receptoren en geven
eenzelfde effect als natuurlijke chemische boodschappers
b) Geneesmiddelen met een agonistische werking binden aan receptoren en blokkeren deze
receptoren, waardoor natuurlijke boodschappers geen effect kunnen sorteren
c) Geneesmiddelen met een agonistische werking binden aan receptoren en geven eenzelfde
effect als natuurlijke chemische boodschappers
5. Hoe noem je toediening rechtstreeks in het lichaam?
a) Lokale toediening
b) Enterale toediening
c) Parenterale toediening
6. Waar in het lichaam vindt vooral metabolisering plaats?
a) Lever
b) Maag-darmkanaal
c) Maag
7. Hoe bereken je de therapeutische breedte?
M EC
a) TI =
MT C
MTC
b) TI =
MEC
c) TI = MTC x MEC