Thema Hypertensie, vochtbalans en oedeem
Leerdoelen
Kan de fysiologie van het hart en de beschrijven en koppelen aan de pathofysiologie van
hypertensie.
De DIO kan de begrippen vochtbalans, intra- en extracellulaire ruimte en oedeem uitleggen
en toepassen op relevante ziektebeelden zoals hypertensie.
De DIO kent de pathofysiologische analyse van hypertensie.
Bronnen
Ross en Wilson anatomie en fysiologie (2018)
o Hoofdstuk 2 Lichaamsvloeistoffen (druk 11 P26 en 27; druk 12 p30 en P31)
o Hoofdstuk Oedeem Oedeem, tot aan Ascites en effusies (druk 11 p119 en 120; druk 12
p128 en P129)
Bestudeer nog een keer uit de studiehandleiding Biologie thema 3 Circulatie en je
aantekeningen daarbij.
TIP: Bekijk op youtube.com bijvoorbeeld nog het volgende filmpje:
https://www.youtube.com/watch?v=XtIh1ZFspHs
Hulpboek Medische kennis, Van der Bijl, ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2012
H2 Hypertensie (De schema’s in dit boek zijn een handige richtlijn om de stof onder de knie
te krijgen!)
Dieetbehandelingsrichtlijn 22: Beitsma B., Ensing A.(2012) Hypertensieè Kopje
Paramedische gegevens
Bron: Hulpboek Medische kennis, hoofdstuk 2 Hypertensie
2.1 Introductie
Om de lichaamscellen van zuurstof en voedingsstoffen te voorzien en afvalstoffen af te voeren,
maakt het lichaam gebruik van de bloedsomloop. Het boek in de bloedvaten wordt door het hart
(een holle spier) rondgepompt. Bij het uitpompen van het bloed (samentrekken van het hart)
ontstaat de bovendruk (systolische druk) in de slagaders. Als het hart ontspant, blijft er een bepaalde
druk over in de slagaders, dit is de onderdruk (diastolische druk). De bloeddruk wordt constant in de
gaten gehouden binnen bepaalde grenzen en is afhankelijk van de toestand waarin het lichaam
verkeert. Stress en lichamelijke inspanning verhogen de bloeddruk, rust en ontspanning verlagen de
bloeddruk.
Er is sprake van hypertensie (‘hyper’=te hoog en ‘tensie’=bloeddruk) als de bloeddruk bij meerdere
metingen te hoog is. Een langdurig te hoge bloeddruk beschadigt de slagaders en leidt tot
overbelasting van het hart. Meestal hebben mensen met hypertensie geen duidelijke symptomen en
ontstaan er pas klachten als na verloop van tijd de slagaderwanden en/of het hart zijn beschadigd
door de verhoogde bloeddruk.
Hypertensie levert een belangrijke bijdrage aan het ontstaan van hart- en vaatziekten. 20% á 30%
van de sterfte aan beroerte, coronaire hartziekten en hartfalen is toe te schrijven aan hypertensie.
Hart- en vaatziekten behoren tot de belangrijkste doodsoorzaken in Nederland. Opsporen en
behandelen van hypertensie is dan ook belangrijk voor de preventie van hart- en vaatziekten.
Hypertensie komt meer voor bij mannen dan bij vrouwen.
Hoewel er risicofactoren kunnen worden genoemd, is in 90% van de gevallen niet duidelijk wat de
1
,specifieke oorzaak is van hypertensie. Men spreekt dan over essentiële hypertensie, idiopathische
hypertensie of primaire hypertensie. Belangrijke risicofactoren voor hypertensie zijn overgewicht,
lichamelijke inactiviteit, voeding met te weinig groente en fruit, veel keukenzout en vet en overmatig
alcoholgebruik. In slechts 10% van de gevallen is een specifieke oorzaak bekend; dit noemen we
secundaire hypertensie.
De systolische bloeddruk hangt meer samen met het risico op het ontstaan van hart- en vaatziekten
dan de diastolische bloeddruk.
2.2 Anatomie en Fysiologie
Een goed begrip van hypertensie vereist inzicht in de normale regulatie van de bloeddruk. Het gaat
hierbij om de volgende punten:
Het hart trekt samen (systole) en pompt daarbij bloed met een bepaalde kracht in de slagaders.
Hierdoor ontstaat een druk op de slagaderwand de bloeddruk.
Als het hart daarna weer ontspant (diastole), wordt er bloed uit de aders aangezogen. Het hart
vult zich opnieuw met bloed, waarna het opnieuw samentrekt en het bloed weer de slagaders in
wordt gepompt. Enzovoort (Figuur 2.1)
De bloeddruk wordt meestal gemeten aan de bovenarm. De druk in de bovenarmslagaders
ontstaat doordat bloed vanuit de linkerkamer van het hart via de aorta naar alle delen van het
lichaam stroomt, dus ook naar de bovenarmslagader.
De hoogste druk die je bij het bepalen van de bloeddruk meet, wordt veroorzaakt door
samentrekking van het hart (linkerkamer). Dit is de bovendruk of systolische bloeddruk.
De laagste druk ontstaat op het moment dat het hart ontspant. Dit noemen we de onderdruk of
diastolische bloeddruk.
Als het hart ontspant, neemt het volume van het hart toe en daalt de bloeddruk in het hart sterk.
Hierdoor heeft het bloed in de aorta en andere slagaders de neiging terug te stromen naar het
hart. De wordt echter verhinderd door de aortaklep. Door het sluiten van de aortaklep blijft er
altijd een bepaalde hoeveelheid bloed in de slagaders, waardoor de diastolische bloeddruk niet
nul is.
De bloeddruk wordt uitgedrukt in mmHg (millimeters kwikdruk, de druk die een kwikkolom
uitoefent).
De normale bloeddruk bij een volwassene bedraagt 120/80 mmHg.
De bloeddruk in de slagaders is afhankelijk van de volgende factoren:
o De vullingsstoestand van de bloedvaten, dat wil zeggen ‘hoe vol de bloedvaten zitten’. Hoe
voller, des te hoger de druk.
o De hoeveelheid bloed die het hart per hartslag uitpompt (slagvolume). Bij inspanning zal het
hart meer bloed uitpompen en neemt de bloeddruk toe.
o De veerkracht (elasticiteit) van de wand van de slagaders. Hoe elastischer de vaten, des te
lager de bloeddruk.
o De weerstand waarmee het bloed te maken krijgt in de slagaders (perifere weerstand). Deze
hangt af van de stroperigheid (viscositeit) van het bloed, de wrijving tegen de vaatwanden en
de mate waarin de kleinere slagaders open staan (vasodilatatie) of vernauwd zijn
(vasoconstrictie).
De systolische bloeddruk is vooral afhankelijk van: slagvolumen en elasticiteit van de vaatwand.
De diastolische bloeddruk is vooral afhankelijke van: perifere weerstand; de hoeveelheid bloed
die door het hart per minuut wordt uitgepompt (hartminuutvolumen=slagvolume x
hartfrequentie); sluiting van de aortaklep.
Om alle organen, weefsels en cellen van voldoende zuurstof en voedingsstoffen te voorzien en
koolzuurgas en afvalstoffen af te voeren, moet de bloedsomloop voldoende functioneren.
De bloeddruk moet binnen bepaalde grenzen op peil worden gehouden en zich aanpassen aan
de omstandigheden (liggen, opstaan, inspanning, slapen, stress)
2
,Om de bloeddruk te regelen, gebruikt het lichaam een aantal mechanismen. Deze zijn onder te
verdelen in:
1. Neurale regulatie:
- De kleine slagaders (arteriolen) worden vanuit het zenuwstelsel (hersenstam) gestimuleerd
om te sluiten (vasoconstrictie) of juist open te gaan (vasodilatatie. Hoe verder de bloedvaten
open staan, des te lager de bloeddruk. Het volume van de slagaders is dan te groot.
- De activiteit van het hart (contractiekracht en hartfrequentie) kan via zenuwen (sympathicus)
worden gestimuleerd of geremd (parasympathicus). Hierdoor kan de bloeddruk dus ook
hoger of lager worden
Het zenuwstelsel wordt vanuit sensoren in de aortaboog en de halsslagaders geïnformeerd over de
hoogte van de bloeddruk. Op basis van deze informatie kan via bovenstaande mechanismen een
verhoging of verlaging van de bloeddruk optreden.
3
, 2.3 Pathologie
Een verhoging van de bloeddruk kan op verschillende manieren ontstaan:
Het hart kan krachtiger gaan pompen (vb: door stress of nicotine), waardoor er per hartslag meer
bloed in de slagaders wordt gepompt;
Door atherosclerose en arteriosclerose verminderd de elasticiteit van de slagaders, waardoor ze
minder goed kunnen uitzetten als het bloed vanuit het hart in de slagaders wordt gepompt, met
gevolg dat de druk oploopt;
Atherosclerose: de afzetting van een vettig materiaal aan de binnenwand van slagaders.
Bijvoorbeeld door te hoog cholesterolgehalte.
Arteriosclerose: afname van de kwaliteit van de elastische vezels in de slagaders. Bijvoorbeeld
door veroudering.
Onder invloed van roken en stress kunnen kleine slagaders (arteriolen) tijdelijk samentrekken
(vasoconstrictie) door stimulatie van het sympathisch zenuwstelsel en afgifte van noradrenaline
en adrenaline. Hierdoor neemt het volume in de bloedbaan af, waardoor dezelfde hoeveelheid
bloed een grotere druk zal opbouwen;
Een toename van de viscositeit van het bloed treedt op als gevolg van een sterke toename van
het aantal bloedcellen;
4