Inleiding
Het voortplantingsstelsel is het enige stelsel dat niet nodig is om te overleven als
individuele mens. Het is wel van essentieel belang voor het voortbestaan van de soort.
Hierbij zijn de geslachtsorganen, geslachtsgemeenschap, zwangerschap, geboorte en
verzorging van het kind belangrijk. Wanneer de kern van een zaadcel samensmelt met
de kern van een eicel ontstaat er een zygote. Deze kan zich gedurende 9 maanden
zwangerschap ontwikkelen tot een compleet nieuw individu. Hier leer je de algemene
anatomie en fysiologie van het voortplantingsstelsel en de hoe bevruchting in zijn werk
gaat.
Doelstellingen
De student kan:
a. De anatomie en fysiologie van de mannelijke en vrouwelijke
voortplantingsorganen beschrijven en uitleggen
Functies:
- Penis = plassen en penetratie
- Os pubis =
- Urethra = vervoeren urine
- Glans = opwekken orgasme
- Voorhuid = bescherming eikel
- Scrotum = temperatuurregeling en beschermen testes
- Ductus deferens = vervoeren zaad
- Epididymis = uitrijpen en opslag zaadcellen
- Testes = maken testosteron en maken van spermacellen
- Vesica = opslag urine
- Zaadblaasjes = produceren spermavocht
- Prostaatklier = De prostaat produceert het grootste deel aan vocht bij een
zaadlozing ( ongeveer 15 tot 30%). Het vocht transporteert de zaadcellen. De
prostaat zorgt er ook voor dat sperma niet in de blaas terecht komt.
, ovarium = eierstok, opslag eicellen schedegewelf
oviduct = eileider, verplaatsing eicellen cervix, baarmoederhals,
verbinding vagina en
baarmoeder
Vesica urinaria = urineblaas, opslag urine vagina, plassen en
voortplanting
Symphysis pubica = schaambeen rectum, endeldarm,
ontlasting vasthouden
Glandula vestibularis majore = De klier van anus, ontlasting en lucht
Bartholin, voor vaginale afscheiding naar buiten laten
clitoris, kittelaar, stimulatie colon
sogmoidum,
karteldarm
Labium minor, kleine schaamlippen,
bescherming binnenkant
Labium major, grote schaamlippen,
bescherming clitoris
Uterus, baarmoeder, bevrucht embryo te laten
innestelen
,