Let op: enkel de colleges terugluisteren / slides bekijken is niet voldoende om een voldoende
voor het tentamen te halen. Als je de omschakeling niet kunt maken tussen de theorie en
een praktijkcasus, kun je het tentamen niet halen. Het is dus belangrijk om het boek te lezen
en de voorbeelden daarin te lezen.
Afkortingen
● IB (wet op de inkomstenbelasting 2001)
● Vpb (wet op de vennootschapsbelasting 1969)
● AWR (Algemene wet inzake rijksbelastingen 1959)
● AWB (Algemene wet bestuursrecht 1992)
● LB (wet op de loonbelasting 1964)
● OB (wet op de omzetbelasting 1968)
● Art. 1.1 jo art. 2.1: hier staat de jo voor juncto, een juridische term die betekent “in
samenhang gelezen met…” en art. voor artikel (in de desbetreffende wet)
Hoorcollege 1
Belastingrecht 1 (Fiscaal ondernemerschap) vs. Belastingrecht 2
(Fiscaal concernrecht)
1. Fiscaal ondernemerschap
Focus: natuurlijke personen als ondernemer (eenmanszaak, vof).
Belangrijkste belastingsoorten
● Inkomstenbelasting (IB)
○ Winst uit onderneming
○ Ondernemersfaciliteiten (o.a. zelfstandigenaftrek, MKB-winstvrijstelling)
○ Terbeschikkingstellingsregeling (bijv. verhuren van pand of geldlening aan
eigen bv/vof)
● Loonbelasting (indien personeel in dienst is)
● Omzetbelasting (btw)
2. Fiscaal concernrecht
Focus: rechtspersonen als ondernemer (bv, nv, vaak binnen concernstructuren).
Belangrijkste belastingsoorten
● Vennootschapsbelasting (Vpb)
, ○ Winstbepaling voor rechtspersonen
○ Fiscale eenheid (concernregeling voor Vpb en btw)
○ Dividendbelasting en winstuitdelingen
● Samenloop met loonbelasting en btw (indien van toepassing binnen de structuur).
Thema’s
Thema’s die aan bod zullen komen zijn:
● De ondernemer
○ Wanneer is iemand ondernemer voor de inkomstenbelasting?
○ Onderscheid natuurlijk persoon / rechtspersoon.
● De onderneming
○ Wat is een onderneming voor de fiscus?
○ Ondernemersfaciliteiten.
● Medegerechtigden
○ Meerdere personen gerechtigd tot winst (bijv. stille maatschap).
○ Gevolgen voor de winstverdeling.
● Terbeschikkingstellingen
○ Vermogensbestanddelen ter beschikking stellen aan eigen onderneming of
aan bv/vof van een verbonden persoon.
● Winstbepaling
○ Commerciële vs. fiscale winst.
○ Goed koopmansgebruik.
○ Jaarwinstbepaling.
● Beëindigingen
○ Staking van de onderneming.
○ Stakingswinst en stakingsaftrek.
● Firmaproblematiek
○ Fiscale behandeling van personenvennootschappen (vof, maatschap).
○ Toerekening van winsten.
● Bedrijfsopvolging
○ Overdracht van onderneming binnen familie of aan derden.
○ Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR).
● Aanmerkelijk belang
○ Wanneer sprake van een aanmerkelijk belang (≥5% aandelen).
○ Box 2-heffing bij dividend en vervreemding.
● Andere heffingen
○ Loonbelasting (bij werknemers).
○ Omzetbelasting (btw) (ondernemerschap voor de btw kan afwijken van
IB-ondernemerschap).
Functies belastingheffing (I)
Aan belastingheffing worden drie functies toegekend:
1. Budgettaire functie
● Kern: de belangrijkste functie.
, ● Doel: het bekostigen van overheidsuitgaven (zoals zorg, onderwijs, defensie,
infrastructuur).
● Belastingen zijn de voornaamste inkomstenbron van de overheid.
2. Instrumentele functie
● Kern: belastingen worden ingezet als sturingsinstrument.
● Middelen:
○ Allocatie: beïnvloeden van productie en consumptie (bijv. accijnzen op tabak
en alcohol).
○ Stabilisatie: economie stabiliseren, bijvoorbeeld door belastingverlaging in
een recessie of lastenverzwaring in hoogconjunctuur.
○ Verdeling: herverdeling van inkomen en vermogen (de zwaarste schouders
dragen de zwaarste lasten).
● Voorbeelden:
○ Lagere bijtelling voor elektrische of hybride auto’s (stimuleren duurzaam
gedrag).
○ Accijnzen op tabak en alcohol (afremmen ongezond gebruik).
3. Steunfunctie
● Kern: belasting als ondersteunend mechanisme voor andere belastingen.
● Voorbeeld: de vennootschapsbelasting (Vpb) fungeert als steunbelasting voor de
inkomstenbelasting (IB).
○ Zonder Vpb zou winst die door rechtspersonen wordt behaald, mogelijk
onbelast blijven.
○ Met de Vpb wordt eerst de winst van de bv/nv belast, en vervolgens wordt bij
uitkering aan aandeelhouders (via dividendbelasting/IB box 2) nogmaals
geheven.
Functies belastingheffing (II), Doelstellingen van economische politiek
Naast de budgettaire, instrumentele en steunfunctie kan belastingheffing ook worden gezien
in het licht van bredere economische doelstellingen. Belastingen worden daarbij gebruikt
als beleidsinstrument om bepaalde maatschappelijke en economische doelen te bereiken.
1. Inkomens(her)verdeling
● Middel: progressieve belastingtarieven (hogere inkomens betalen relatief meer
belasting).
● Doel: ongelijkheid verminderen en solidariteit bevorderen.
2. Stimuleren van economische groei
● Middel: fiscale maatregelen die selectieve en duurzame groei bevorderen
(bijvoorbeeld investeringsaftrekken, innovatiebox).
● Doel: de economie versterken afhankelijk van de conjunctuur en sectorale
behoeften.
, 3. Optimaliseren van werkgelegenheid
● Middel: lastenverlichting op arbeid, subsidies of premiekortingen.
● Doel: meer banen creëren en werk aantrekkelijker maken.
4. Evenwicht op de betalingsbalans
● Middel: fiscale prikkels voor export en beperkingen voor import.
● Doel: stabiele verhouding tussen in- en uitvoer van goederen en diensten.
5. Stabiel prijspeil
● Middel: indirecte belastingen (zoals btw en accijnzen) kunnen worden ingezet om
inflatie of overbesteding te temperen.
● Doel: prijsstabiliteit handhaven.
6. Bescherming van het milieu
● Middel: milieubelastingen en heffingen (zoals CO₂-heffing, energiebelasting,
vliegbelasting).
● Doel: verduurzaming stimuleren en schadelijke effecten op milieu verminderen.
Wet Inkomstenbelasting (IB)
Geschiedenis (ter achtergrondinformatie)
1893 – Bedrijfsbelasting
De eerste vorm van belasting op inkomen in Nederland was de bedrijfsbelasting in 1893.
Deze werd forfaitair bepaald: ondernemers betaalden 4% belasting over het bedrag dat zij
in hun bedrijf hadden geïnvesteerd.
1914 – Inkomstenbelasting op basis van bronnenfictie
In 1914 werd een echte inkomstenbelasting ingevoerd. Dit was een bronnenfictiestelsel:
men betaalde belasting over de vermogensbronnen die men ter beschikking had, waarbij
werd uitgegaan van een fictief rendement.
1941 – Belasting op reële inkomsten
In 1941 kwam een stelsel waarin voor het eerst werd geheven over daadwerkelijke
inkomsten. Dit betrof:
● winsten uit een landbouwbedrijf,
● winsten uit een ander bedrijf of zelfstandig beroep,
● en loonbelasting voor mensen in dienstbetrekking.
1964 – Modernisering