HR 14 februari 2014, NJ 2014/264 (Feenstra/ING) overeenstemming pandgever met betrekking tot (afwijkende wijze
van) verkoop, art. 3:251 lid 2 BW
3.3.2
Bij de beoordeling van het onderdeel is van belang dat de Hoge Raad in zijn arrest van 25 februari 2011,
ECLI:NL:HR:2011:BO7109, NJ 2012/74 (ING/Hielkema q.q), omtrent de bevoegdheid van de pandhouder tot executoriale
verkoop als volgt heeft geoordeeld (rov. 3.4).
Een pandhouder is uit hoofde van art. 3:248 lid 1 BW bevoegd het verpande goed te verkopen en op de opbrengst daarvan
het hem verschuldigde te verhalen, als de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor het pand tot
zekerheid dient. Deze verkoop geschiedt ingevolge art. 3:250 BW in het openbaar, maar op grond van art. 3:251 BW is ook
onderhandse verkoop mogelijk. In al deze gevallen oefent de pandhouder het recht van parate executie uit als bedoeld in
art. 3:248 lid 1 BW. Daaronder valt mitsdien ook het geval dat de pandhouder en de pandgever op de voet van art. 3:251 lid
2 BW onderhandse verkoop zijn overeengekomen. Er is geen grond hierop een uitzondering aan te nemen als de
pandhouder en de pandgever van deze hun in de wet verleende vrijheid gebruik hebben gemaakt door overeen te komen
dat deze onderhandse verkoop door de pandgever zal geschieden. Ook in dat geval geschiedt de verkoop van het verpande
immers ten behoeve van de pandhouder en kan deze zich als separatist verhalen op de opbrengst daarvan.
3.3.3
Mede in het licht van het vorenstaande geeft het oordeel van het hof dat [betrokkene 1] en de bank een afwijkende wijze
van verkoop als bedoeld in art. 3:251 lid 2 BW zijn overeengekomen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zoals
nader uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.7–2.9, heeft het hof de daarbij in acht te nemen
Haviltex-maatstaf niet miskend en heeft het zijn oordeel in het licht van de stellingen van partijen voldoende gemotiveerd.
Het onderdeel faalt derhalve.
3.4.2
Zoals volgt uit het hiervoor in 3.3.2 weergegeven arrest ING/Hielkema q.q., heeft een verkoop die plaatsvindt op een op de
voet van art. 3:251 lid 2 BW overeengekomen wijze, een executoriaal karakter. Dat geldt derhalve in het onderhavige geval
ook voor de verkoop door [betrokkene 1] van zijn verpande winkelvoorraad ten behoeve van de bank als pandhouder. Door
middel van deze (wijze van) executoriale verkoop oefent de bank haar recht uit zich met voorrang op de executieopbrengst
van de winkelvoorraad te verhalen. Bij deze executie mag de bank, ingevolge art. 3:253 lid 1 BW, als pandhouder het door
[betrokkene 1] als pandgever verschuldigde bedrag waarvoor het pandrecht geldt, van de netto executieopbrengst
afhouden; pas daarmee komt – in voorkomend geval na uitkering van een eventueel overschot aan de pandgever – de
executie tot een einde.
In het onderhavige geval heeft de bank (een gedeelte van) de schuld van [betrokkene 1] uit hoofde van de
kredietovereenkomst, waarvoor het pandrecht was gevestigd, van de executieopbrengst afgehouden door middel van de
hiervoor in 3.1 onder (iv) vermelde ‘verrekening’. Die handeling maakte nog onderdeel uit van de executoriale verkoop,
en kan niet worden aangemerkt als een verrekening in de zin van art. 54 Fw. Dat is niet anders doordat de opbrengst van
de executoriale verkoop is gestort op een door [betrokkene 1] bij de bank aangehouden bankrekening. Voor zover die
opbrengst de vordering van de bank op [betrokkene 1] niet overtreft, hetgeen hier het geval is, is de bank immers niet tot
schuldenaar van [betrokkene 1] geworden, nu zij op grond van art. 3:253 lid 1 BW in zoverre zelf tot die executieopbrengst
gerechtigd is. Een andere opvatting zou zonder goede grond een doelmatige uitoefening van het verhaalsrecht van de bank
als pandhouder belemmeren.
Hierbij verdient opmerking dat het voorgaande ook niet in strijd is met de strekking van art. 54 Fw.
De bank heeft zich immers niet ten nadele van de overige schuldeisers van [betrokkene 1] in een betere positie gebracht,
nu zij op grond van haar pandrecht bij voorrang gerechtigd is tot de opbrengst van de verpande winkelvoorraad. De bank
heeft evenmin misbruik gemaakt van haar bijzondere positie in het girale betalingsverkeer, zoals bedoeld in (onder meer)
het arrest HR 8 juli 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC0457, NJ 1988/104 (Loeffen q.q./Bank Mees en Hope), nu de storting van de
verkoopopbrengst op de door [betrokkene 1] bij de bank aangehouden bankrekening niet het gevolg is van ‘toevallige’
betalingen door derden op die bankrekening, maar plaatsvindt in het kader van de executie door de bank van haar
pandrecht op de winkelvoorraad.
https://cassatieblog.nl/insolventierecht/bank-mag-vordering-afhouden-van-op-rekening-pandgever-gestorte-
executieopbrengst/
HR 28 februari 2014, NJ 2015/192 (De Jong/KBC) art. 3:248 lid 3 BW, positie pandhouder bij executie door een ander,
pandrecht vervallen door derdenbescherming
4.3
1