Samenvatti ng colleges
1. Tentamen
20 open vragen voor neuropsychologie
Vragen op het tentamen..
- Geen namen van onderzoekers, geen jaartalen
- Wel de beschreven onderzoeken (vraagstelling,
methode, resultaat)
Tips:
- Kun je de stof reproduceren? Stof navertellen
- Wees specifiek (eerste twee antwoorden
hiernaast zijn fout want te algemeen), je kan
vragen kort beantwoorden maar wees dan wel
specifiek
- Geen meer-keuze antwoorden! =punten aftrek!:
geef maar 1 antwoord, als je meerder antwoorden
beschrijft krijg je per fout antwoord een punt
aftrek
- Leer de hele stof!
Tentamenvragen
Goed/Fout Axonen zijn vaak langer dan dendrieten
Goed/Fout In het ruggenmerg vind je witte stof
Goed/Fout De hippocampus geeft hormonen af aan het bloed
Goed/Fout Ataxische cerebrale parese is een beschadiging aan de
motorcortex
Goed/Fout Cocaïne is op de langer termijn schadelijker voor het
ongeboren kind dan alcohol
Neuropsychologie
Tentamen
- Proctoring
- 13 open vragen
- Geen klad gebruiken
- Je mag niet naar de wc
- Kijk even of het al in testvision staat
- Comment box: wordt niet nagekeken om opmerking te geven over
vraag
, - Feedback op vraag
Hersenen en gedrag – Neuropsychologie
Deel 1: Cellen en informatieoverdracht
1. Hersencellen
1.1 Neuronen
1.2 Gliacellen
2. Het brein en zijn omgeving
2.1 Zintuigelijke input & motorische output
2.2 Bloed-hersenbarrière
3. Elektrische prikkels
3.1 Rustpotentiaal
3.2 Actiepotentiaal
3.3 Graduele potentiaal
4. Chemische processen
4.1 Synapsen
5. Beïnvloeding communicatie tussen cellen
5.1 Stoffen
5.2Verslavende stoffen
5.3 Medicijnen
Deel 2: Hersenstructuur & hersenfunctie
1. Hersenstructuur
1.1 Anatomische begrippen
1.2 Hersenvliezen
1.3 Ventrikels
1.4 Ruggenmerg
1.5 Craniale zenuwen
1.6 Indeling hersenen
2. Hersenfunctie
2.1 Zintuigen
2.2 Motoriek
Deel 3: Onderzoek
1. Onderzoek
1.1 Beeldvormende technieken
1.2 Kinderneuropsychologisch onderzoek
Deel 4: Ontwikkeling van de hersenen
1. Ontwikkeling van de hersenen
1.1 CZS
1.2 Neuronen
1.3 Cortex
1.4 Puberbrein
1.5 Plasticiteit
Deel 5: Stoornissen
,1. Stoornissen
5.1 Teratogenen
5.2 Trauma
5.3 Meningitis
5.4 CP
5.5 ADHD
5.6 Dyslexie
5.7 Autisme
5.8 Tourette syndroom
Deel 6 neurobiologie van gedrag
, College 3) Zoom: woensdag 4 november (kijk vanaf slide 44 tot het einde) Stof:
15_Depression
Medicijnen
Antidepressiva:
- Monoamine oxidase inhibitors (MAOIs) s
o oude antidepressiva per toeval ontdekt: een van de eerste
middelen
o Dit middel blokkeert het enzym monoamine oxidase (= een
presynaptisch enzym dat catecholamines en serotonine
metaboliseert tot inactieve vormen). Dit betekent dat deze
stof het enzym inactiveert dat serotonine afbreekt
o Het zorgt er daarom voor dat er meer serotonine beschikbaar
is in de synapsen (dit doet elke antidepressiva)
o Dit middel heeft ernstige bijwerkingen:
mensen moeten aan een dieet om tyramine te vermijden
anders krijgen ze een te hoge bloeddruk
Het enzym dat geïnactiveerd wordt breekt namelijk ook
tyramine af
- Tricyclische antidepressiva
o Kwam hierna op de markt
o Remt de heropname
o Worden gebruikt door het transportereiwit om te blokkeren dat
serotonine, dopamine en norepinefrine in het presynaptische
neuron heropgenomen worden na hun vrijlating.
o Verhindert heropname van serotonine, dopamine,
norepinefrine
o Waardoor die drie neurotransmitters meer aanwezig zijn in het
brein
o Veel bijwerkingen omdat het inwerkt op drie neurotransmitters
- Selective serotonin reuptake inhibitors (SSRIs)
o Het zorgt voor het selectief remmen van de heropname van
serotonine en laat de andere NT met rust.
o Het lijkt op tricyclische stoffen, maar met minder bijwerkingen
o Remt de heropname
o Deze zijn ten opzichte van het vorige middel selectief, het
werkt alleen op 1 neurotransmitter en laat de anderen met
rust
o Verhindert specifiek de heropname van serotonine