1. Welke stof is een sterke agonist
- Een stof met een hoge affiniteit en een hoge effectiviteit
2. Welke stof is geschikt als tegengif
- Een stof met een hoge affiniteit en een lage effectiviteit
3. In welke volgorde kwamen de verschillende anti-depressiva op
de markt?
1. Monoamine oxidase inhibators
2. Tricyclische antidepressiva
3. Selective serotonin reuptake inhibitors (SSRI)
4. Hoe werkt antidepressiva?
- We weten niet precies hoe het werkt op hersenniveau, maar als je
antidepressiva neemt dan komen er nieuwe neuronen bij in het
korte termijn geheugen waardoor je leervermogen betert waardoor
je stemming beter wordt omdat je negatieve aangeleerde
gedachtepatronen kunt bijstellen naar positieve.
5. Wat voor soort therapie werkt het beste tegen depressies?
- Antidepressiva en CGT zijn even effectief (middelmatig effect), al
heeft CGT duurzamere effecten. Daarom wordt het vaak samen
aangeboden.
6. Hoe kunnen we meer leren over de functie van de hersenen
- Het meten van hersenactiviteit tijdens bepaald gedrag
- Het stimuleren van bepaalde gebieden in de hersenen om te kijken
welk gedrag dat uitlokt
- Het bestuderen van het effect van hersenbeschadigingen op gedrag
7. Welke problemen zijn er bij het interpreteren van de effecten
van natuurlijk ontstane hersenschade op gedrag?
, - Je weet niet precies wat er beschadigd is
- Naast gebieden kunnen er ook verbindingsbanen beschadigd zijn
8. Met welke klachten kan een kind doorverwezen worden naar
een neuroloog?
- Klachten door een hersenvliesontsteking
- Epileptische aanval
- Een hersenschudding
9. Wanneer is er een indicatie voor een medische hersenscan
- Bij het vermoeden van een tumor
- Bij een ernstige hersenschudding
- Bij een vervormde schedel
10. Welke eigenschappen horen bij EEG?
- Vooral wetenschappelijk gebruik maar ook medisch gebruik
- Het meet elektrische activiteit gegenereerd door de neuronen, dit
gebeurt met elektronen en een soort badmuts op
- Goedkoop, niet belastend
- Functie in kaart brengen en
- tijdsverloop van die functies in kaart brengen
11. EEG wordt voor een paar medische doelen gebruikt. Welke zijn
dat?
- Onderzoek naar slaap/waak stoornissen
- Onderzoek naar epilepsie
12. Wat doet EEG evoked potential?
- Dit is vooral een techniek die wetenschappelijk gebruikt wordt voor
onderzoek. Je wil hierbij een EEG zien als een reactie op een
stimulus. Nadeel hiervan is dat je hiervoor heel veel herhaling moet
toepassen.
13. Welke eigenschappen horen bij een CT scan (Computed
tomography)?
, - Bekende techniek
- Vooral medisch gebruik (bv. Opsporen tumoren)
- Met röntgenstralen brengt het weefsels in kaart
- Goedkoop, wel wat belastend want je gebruikt straling
- Brengt de Anatomie van de hersenen in kaart en afwijkingen daarin
11. Welke eigenschappen horen bij een MRI
- Vooral medisch gebruik
- Dit werkt a.d.h.v. een sterk magnetische veld en radiopulsen. Want
water reageert in verschillende weefsels anders op een magnetisch
veld. Hiermee maak je ook een anatomische 3D scan
- Duur, niet belastend en ook niet schadelijk
- Hersenanatomie
12. Welke eigenschappen horen bij een fMRI (functionele MRI)?
- Vooral wetenschappelijk gebruik naar hoe de hersenen werken
- Het meet waar zuurstofrijk bloed stroomt (hier is namelijk
hersenactiviteit), dit reageert namelijk anders op dat magnetisch
veld en die radiopulsen dan zuurstofarm bloed.
- Functie en ongeveer locatie, dus je meet welk gebied actief is en je
hebt er ongeveer een locatie bij
- Duur, niet belastend
13. In fMRI onderzoek wordt een baseline altijd vergeleken met
een taakspecifieke activatie. Welke baseline zou je kiezen als je
onderzoek doet naar melodieperceptie?
- Tonen van steeds dezelfde toonhoogte
14: wat is het BOLD-response?
- Blood oxygen level dependent. Dit is een naam voor het proces dat
plaatsvindt bij fMRI. Het idee is dat waar hersenactiviteit is, daar
glucose verbrand moet worden, dus daar moet zuurstof naartoe, dit
wordt vervoerd via het bloed en daar is dus de hersenactiviteit. Dus
als we de zuurstofrijke bloed gebieden kunnen meten dan weten we
welke gebieden functioneel zijn op dat moment.
15. Welke eigenschappen horen bij een PET (positron emission
tomography)?