samenvattingen
HBO-V, HAN Nijmegen leerjaar 1,
Semester 1, Lesstof en kennistoets
, Inhoud
1. Topografie van het menselijk lichaam
1.1 Diagnostiek
1.2 Aanvullend onderzoek
Topografie
2. Celleer
2.1 Opbouw van de cel tot orgaanstelsel
2.2 Bouw cel en organellen
2.3 Celstofwisseling
2.4 DNA transcriptie en translatie
2.5 Transport
2.6 Passief transport
2.7 Actief transport
2.8 Homeostase
3. Regulatie en integratie door het hormoon- en zenuwstelsel
4. Hart en geleiding
4.1 Anatomie van hart en bloedvaten
4.2 Uitwisseling van stoffen tussen bloed en weefselvocht
5. Ademhaling
5.1 Gaswisseling in de longen
5.2 Gaswisseling in de perifere weefsels
5.3 Ademhalingsbewegingen
5.4 Longfunctie
5.5 COPD
6. Farmacologie
7. Wondgenezing en fractuurleer
7.1 Wondgenezing
7.2 Fractuurleer
8. Coronaire hartziekten
8.1 Diagnostisch onderzoek hart en bloedvaten
8.2 Arteriële aandoeningen
8.3 Atherosclerose
8.4 Coronaire hartziekten
9. Decompensatio cordis
9.1 Hartfalen
10. Vitaal bedreigde patiënt en shock
10.1 Shock
11. Inleiding in de psychiatrie en stemmingsstoornissen
12. Algemene oncologie
13. Mammacarcinoom en ovariumcarcinoom
13.1 Anatomie borstklieren
13.2 Anatomie eierstokken
13.3 Mammacarcinoom
,1 Topografie van het
menselijk lichaam
Als we het over de bouw van het lichaam hebben, dan hebben we het over de
Anatomie.
Spreken we over het functioneren van het menselijk lichaam, dan noemen we dit
Fysiologie. De leer van ziekten of aandoeningen wordt ook wel Pathologie
genoemd.
1.1 Diagnostiek
Om de klachten van een zorgvrager goed in kaart te brengen en de oorzaak te
achterhalen wordt een geneeskundig onderzoek gedaan. Dit onderzoek bestaat
uit een anamnese, lichamelijk onderzoek en aanvullend onderzoek.
Een anamnese is het verzamelen van gegevens van de patiënt, door het
subjectieve verhaal van de zorgvrager te horen over zijn klachten. Met behulp
van vragen wordt de klacht uitgevraagd.
Bij het lichamelijk onderzoek worden verschillende onderzoeksmethoden
gebruikt:
Inspectie = Observeren van de buitenkant.
Percussie = Kloppen aan de buitenkant van het lichaamsoppervlak met vingers
en handen.
Auscultatie = Luisteren met een stethoscoop
Palpatie = Voelen van het lichaamsoppervlak met handen en vingers.
Daarnaast worden ook de vitale functies gemeten dit zijn:
1) Bloeddruk
2) Hartslag
3) Temperatuur
4) Ademhalingsfrequentie
5) Saturatie
De vitale functies zeggen iet over de fysiologie van het menselijk lichaam.
1.2 Aanvullend onderzoek
Bij laboratorium onderzoek worden weefsels en vloeistoffen, zoals bloed en
urine, onderzocht.
, Er zijn veel verschillende beeldvormende onderzoeken die de structuur en het
functioneren van het lichaam in kaart brengen. Beeldvormende onderzoeken die
gebruik maken van röntgenstraling zijn röntgenfoto en CT-scan. Het onderzoek
dat gebruik maakt van geluidsgolven heet echografie.
Het verschil tussen een CT-scan en een MRI-scan is: Bij een CT-scan wordt er
gebruik gemaakt van röntgenstraling en bij een MRI-scan wordt er gebruik
gemaakt van radiogolven dus magnetisme.
1.3 Topografie
Om aan te duiden waar iets ligt worden vaak termen als voor, achter, boven en
onder gebruikt. Echter zijn deze begrippen niet eenduidig en hangen ze af van de
positie waaruit je naar het lichaam kijkt. In de gezondheidszorg wordt er daarom
gebruik gemaakt van topografische begrippen. Bij het gebruik van deze
begrippen ga je altijd uit van de anatomische houding. Beschrijf de anatomische
houding:
De persoon staat recht op, heeft het hoofd rechtop, houdt de armen gestrekt
naast het lichaam, zijn de handpalmen naar voren gekeerd en zijn de voeten
iets gespreid.
Er worden drie lichaamsvlakken onderscheiden: het frontale vlak, het sagittale
vlak en het transversale vlak.
Het frontale vlak verdeelt het lichaam in voor en achter.
Het sagittale vlak verdeelt het lichaam in links en rechts.
Het transversale vlak verdeelt het lichaam in boven en onder.
Voor de ligging van lichaamsdelen worden begrippen gebruikt die iets zeggen
over de plaats van het lichaamsdeel ten opzichte van omliggende structuren.
Bijvoorbeeld: de slokdarm ligt dorsaal van de luchtpijp en ventraal van de
wervelkolom.
Dorsaal = achter, rugzijde
Ventraal = voor, buikzijde
Proximaal = dichtbij romp
Distaal = ver van romp
Lateraal = buitenzijde
Mediaal = binnenzijde
Craniaal = schedelkant
Caudaal = staart kant
Superior = hoog, boven
Inferior = laag, beneden
Centraal = midden
Perifeer = uiteinden