Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Complete samenvatting - AFPF Gezondheid (KT1) Ross en Wilson

Beoordeling
-
Verkocht
-
Pagina's
81
Geüpload op
16-10-2025
Geschreven in
2025/2026

Alle leerdoelen uitgewerkt voor AFPF voor KT1 toets. Begrippen + plaatjes inbegrepen.

Voorbeeld van de inhoud

CASUS 1 AFPF

 Een definitie geven van de begrippen ‘milieu intérieur’ en
‘homeostase’.
Milieu interieur: Het milieu intérieur is de vloeistof waarin cellen en
organen zich bevinden.
Homeostase: is een proces dat constant het inwendige of interne milieu
herstelt en in evenwicht houdt. Er wordt gebruik gemaakt van
regelmechanismen.
 Negatieve en positieve feedbackmechanismen met elkaar
vergelijken.
Negatieve feedback zorgt ervoor wanneer een variabel stijgt, deze weer
laat
dalen. Wanneer een variabel daalt haalt de negatieve feedback het weer
terug
naar normaal.

Positieve feedback zorgt ervoor dat wanneer de regeling van een
variabel niet goed werkt, dat er waarden worden bereikt die normaal
buiten het
normale bereik liggen. Het begint en moet door!

 het proces van osmose vergelijken met dat van diffusie en
met behulp van deze begrippen uitleggen hoe moleculen zich
verplaatsen binnen en tussen compartimenten van het
lichaam.
Diffusie is de verplaatsing van moleculen van een plaats met hoge
concentratie
naar een plaats met lage concentratie. Osmose is de diffusie van water
van een
gebied met lage concentratie opgeloste stoffen naar een gebied met een
hoge
concentratie opgeloste stoffen door een semipermeabel membraan.
Allebeide
processen willen iets in evenwicht brengen. Stoffen verplaatsen zich langs
de
concentratiegradiënt zodat moleculen gelijk zijn.

 Congenitaal: erfelijk

 Een beschrijving geven van de termen intra- en
extracellulaire vloeistof.

Intracellulaire vloeistof:. De lichaamsvloeistof bevind zich in de cellen.
Deze vloeistof bestaat voornamelijk uit intracellulair water (ICW) en
minerale zouten

Extracellulaire vloeistof: Is lichaamsvloeistof die zich buiten de
lichaamscellen bevind. bestaat voornamelijk uit bloed, plasma, lymfe,

, cerebrospinale vloeistof en vloeistof in de interstitiële ruimten in het
lichaam

Hypotoon: Normale rode bloedcel
Isotoon: In de rode bloedcel zit een te hoge concentratie dus zuigt water
op.

 De structuur en functie beschrijven van de plasmamembraan
(omhulsel van cel).
Structuur: Het plasmamembraan bestaat uit twee lagen fosfolipiden met
daarin eiwitten en suikers. Daarnaast is ook het lipide cholesterol
aanwezig. (Lipiden (vet) om structuur te behouden)
Functie: Membranen controleren de uitwisseling van stoffen tussen de cel
en de omgeving van de cel en zodoende reguleren ze het intracellulaire
milieu. Het plasmamembraan vormt de buitenwand van de cel.



 De functies beschrijven van de organellen.
Cellulaire organellen zijn als mini-organen in een cel, elk met een
specifieke functie die van vitaal belang is voor de overleving en werking
van de cel.
De kern (nucleus): controlecentrum: Bevat het genetische materiaal
van de cel (DNA) en regelt alle cellulaire activiteiten. DNA wordt
gekopieerd naar RNA, dat genetische instructies naar de ribosomen draagt.
Mitochondriën: Energiecentrale van de cel. Ze zijn voornamelijk
betrokken bij aerobe respiratie, het proces waardoor chemische energie in
de cel beschikbaar wordt. Verantwoordelijk voor cellulaire ademhaling, het
omzetten van glucose in ATP (energievaluta).
Ribosomen: Dit zijn minuscule korrels bestaande uit RNA en eiwit. Ze
maken eiwitten uit aminozuren en gebruiken het RNA als sjabloom. Als ze
vrij of in kleine clusters in het cytoplasma komen, maken ze eiwitten voor
gebruik binnen de cel. Als ze aan de buitenkant op de kernmembraan of
bevestigd aan het endoplasmatische reticulum zitten maken ze eiwitten
voor transport naar buiten de cel.
Endoplasmatisch reticulum: Is een grote reeks geschakelde vliezige
kanaaltjes in het cytoplasma. Er zijn 2 soorten glad en ruw.
o Glad: maakt lipiden en steroïde hormonen. Ook is het betrokken bij
ontgifting van bepaalde geneesmiddelen.
o Ruw: is beslagen met ribosomen. Daar worden eiwitten
aangemaakt, waarvan sommige naar buiten de cel word
geëxporteerd.
Golgi-apparaat: Verwerking en verpakking: Modificeert, sorteert en
verpakt eiwitten en lipiden voor secretie of transport naar andere
organellen. Produceert lysosomen en secretoire blaasjes.

, Lysosomen: Afvalverwijdering: Bevatten enzymen die cellulair afval
afbreken, versleten organellen en overspoelde bacteriën/virussen.
Autofagie: Recycling beschadigde cellulaire componenten.
Cytoskelet: Structurele ondersteuning: Dit bestaat uit een uitgebreid
netwerk van minuscule eiwitvezels. Het cytoskelet geeft structuur,
stevigheid en vorm aan de cel en geleidt de stoffen die door de cel
vervoerd moeten worden.
 Waarom moet je eiwitten in je lichaam?
Veel functies worden geregeld door eiwitten.
Lyse= afbreken
Cyto= cel




 de twee stappen van de celcyclus, interfase en mitose,
globaal beschrijven.
Interfase en Mitose:
 Interfase 3 stappen
Eerste tussenfase: de cel groeit qua maat en volume, langste fase.
Maken niet altijd celcyclus af en beginnen rustfase. Cel kan blijven in G0 en
kan ook opnieuw in celcyclus terecht komen en opnieuw gaan delen als
nodig. (46 chromosomen)
Synthese van DNA: de chromosomen vermenigvuldigen zich en vormen
twee identieke DNA-kopieën. De cel heeft na de S-fase 92 chromosomen.
Tweede Tussenfase: De cel groeit voort en bereidt zich voor op celdeling.

 Mitose continu proces 4 stadia
Profase: chromosomen worden gekoppeld en chromatiden zitten aan
elkaar door centromeer.
Metafase: de chromatiden (gekopieerd chromosoom) gaan parallel liggen.
Anafase: Centromeren splitsen.
Telofase: Nieuwe vorming kernmembraam.

 overeenkomsten en verschillen aangeven van actief, passief
en bulktransport van stoffen door de celmembraan heen.
Actief: Gaat van lagere naar hogere concentratie, dit kost energie.
Passief: Gaat van hogere naar lagere concentratie, de stoffen verplaatsen
zich zonder dat het energie kost.
Bulk: is als de deeltjes te groot zijn om door het membraam te gaan. Dan
kunnen ze zich verplaatsen d.m.v.

, Pinocytose: Opname van vloeistof in de cel of Fagocytose: De cel wordt
opgenomen en verteerd.

 de structuur en functies beschrijven van epitheel,
bindweefsel en spierweefsel.
Epitheel: Bedekleding van het lichaam en bekleedt de lichaamsholten,
holle organen en verschillende kanalen en klieren. Het beschermt
onderliggende structuren tegen uitdroging, of chemische en mechanische
schade. Opperhuid, binnenkant mond, darm, bloedvaten.
Bindweefsel: is van alle weefsels het ruimst aanwezig in het lichaam. De
cellen liggen niet dicht op elkaar dus is er veel matrix aanwezig. De matrix
bestaat vaak uit grondsubstantie en vezels. Ze zitten in alle organen als
ondersteuning aan binding, bescherming, transport en isolatie.
Kraakbeen, lymfvatenstelsel, bloed, bot.
Spierweefsel: Dit weefsel kan zich samenspannen en weer ontspannen.
Het maakt beweging mogelijk in het lichaam. Wat hiervoor nodig is is
bloedtoevoer die voor genoeg zuurstof, calcium en voedingsstoffen zorgt
en afvalstoffen afvoert.
En zenuwweefsel



 de structuur en functies van de epitheliale membranen,
slijm- en sereuze vliezen en de synoviale membranen
uitleggen.
Epitheliale membranen: Dit zijn lagen van epitheel en bindweefsel die
dienen as bekleding voor interne holten en structuren, de belangrijkste zijn
slijmvlies, serosa, sereuze vliezen en de huid.
Slijmvliezen: De vochtige bekledig van het spijsverteringskanaal,
luchtwegen, urinewegen en geslachtsorganen. Bestaat uit epitheelcellen,
die produceren en scheiden mucus af. Het slijm beschermt tegen
uitdroging, chemische en mechanische schade, in de luchtwegen
ingeademde deeltjes.
Sereuze vliezen: scheiden waterige vloeistof uit. Bestaat uit een dubbele
laag losmazig bindweefsel met een bekleding van een-lagig
plaveiselepitheel, dit bekleedt een holte en de viscerale laag omgeeft de
organen in die holte. Tussen de 2 lagen sereuze vloeistof afkomstig van
epitheel, sereuze vliezen zijn op 3 plaatsen: longen, hart en buikorganen.
Organen kunnen vrij in de holten bewegen zonder dat er schade ontstaat
door frictie met aangrenzende organen.
Synoviale membranen: De bekleding van de gewrichtsholten en banden
die anders beschadigd zouden raken door wrijving tegen andere benen. Ze
bestaan uit losmazig bindweefsel en elastische vezels. Ze scheiden een
heldere, kleverige, olieachtige synoviale vloeistof af die de gewrichten
smeert en voedt.

Documentinformatie

Geüpload op
16 oktober 2025
Aantal pagina's
81
Geschreven in
2025/2026
Type
SAMENVATTING
€8,16
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Maak kennis met de verkoper
Seller avatar
laramarree

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
laramarree Hogeschool Utrecht
Bekijk profiel
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
-
Lid sinds
7 maanden
Aantal volgers
0
Documenten
1
Laatst verkocht
-

0,0

0 beoordelingen

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen