Dynamica wordt door Lewin omschreven als de activiteiten, processen,
operaties en veranderingen die een groep doormaakt. Er is veel
onenigheid geweest over het analyse level van groepsdynamica: waar
ligt de focus bij het bestuderen van een proces of fenomeen met meerdere
levels (groepsniveau / individueel)?
Group fallacy wordt verklaard door sociale fenomenen in termen van de
groep als geheel, in plaats van gedragingen op individueel niveau.
Bijvoorbeeld: “de groep voelt zich niet zo lekker”. Hierbij wordt een
gedachte over de groep geuit, terwijl misschien niet iedereen zich zo voelt.
Collectief bewustzijn (group mind) ontstaat wanneer individuen in een
groep allemaal hetzelfde bewustzijn of denkbeeld aannemen. Individuele
gedachten kunnen worden overtroffen door de groepsgedachten. Er wordt
gehandeld vanuit een collectief bewustzijn
Het principe van interactionisme, door Lewin: gedrag van mensen in
groepen is te verklaren door de interactie van een persoon met de
omgeving. Hierbij hoort formule B=f(P,E). het gedrag van mensen in een
groep (B) is een functie (f) van de interactie met hun persoonlijke
eigenschappen (P) met omgevingsfactoren (E). De omgevingsfactoren
omvatten kenmerken van de groep, groepsleden en situatie
Het multilevel perspectief houdt in dat voor het verklaren van
groepsprocessen en fenomenen meerdere analyse levels nodig zijn:
Micro-level: bestudeert de kwaliteiten, karakteristieken en acties
van individuele leden
Meso-level: bestudeert groepsniveau, de kwaliteiten van de groep
zoals cohesie, de grootte, hun compositie en structuur
Macro-level: kwaliteiten en processen van grotere collectieven,
zoals organisaties of maatschappijen
William Foote Whyte (1943) ging de Northons bestuderen door
observaties. Hij beschreef de acties van de groep in zijn eigen woorden. Hij
focuste zich op de communicatie van de groep, leiderschap en
statusgerelateerde processen. Whyte maakte gebruik van overte
observatie. Dit houdt in dat hij openlijk de groepsleden bestudeerde en
hun acties noteerde, zonder de bedoeling om onderzoeksdoeleinden
geheim te houden. Minder ethische kwesties hierdoor.
,Bij coverte observatie worden groepen of individuen geobserveerd
zonder dat zij hier vanaf weten.
Hij nam deel aan de groep (= participant observatie) voor zijn
onderzoek. Het voordeel hieraan is dat er gedetailleerder kan worden
geobserveerd en verslag kan worden gemaakt. Groep kan zich echter
anders gaan gedragen als ze weten dat zij worden geobserveerd, dit heet
Hawthorne effect. Dit effect is onderzocht door Elton Mayo. Hij deed
experimenten met werknemers door omstandigheden op werk te
veranderen. Hij ging licht dimmen of feller maken en merkte in beide
situaties dat de efficiëntie toenam. Dit kwam omdat werknemers
doorhadden dat zij werden geobserveerd en aandacht aan hen werd
besteed.
Kwalitatief onderzoek= non numerieke, niet gekwantificeerde data
Kwantitatief onderzoek= numerieke data zoals frequenties, proporties
of aantallen analyseert en verzamelt.
Socioloog Robert Freed Bales ontwikkelde twee van de bekendste
coderingssystemen voor bestudeerde groepen. Het eerste systeem is
Interaction Proces Analysis (IPA) waarbij het gedrag van een groepslid
in een van de twaalf bestaande categorieën wordt geplaatst die bij dit
systeem horen. Een nieuwere versie van de IPA, het tweede systeem, is de
Systematic Multiple Level Observation Groups (SYMLOG). Dit
systeem bestaat uit 26 categorieen in plaats van 12.
Interrater betrouwbaarheid= de mate waarin twee of meer
onderzoekers het met elkaar eens zijn.
Sociometrie is een methode om relaties tussen leden van een groep te
meten en deze relaties grafisch te vatten. Sociometrie bevat self report
metingen. Een sociogram is een diagram dat de relatie tussen
groepsleden weergeeft. Sociometrie was een vroege vorm van social
network analysis (SNA). Dit is een set van procedures om de relationele
structuur van groepen en netwerken grafisch en wiskundig te
onderzoeken. SNA bestaat uit meerdere levels: individueel, groepsniveau
en ene grafische representatie van het hele geheel.
Casestudies: er worden meerdere informatiebronnen gebruikt om
grondig de activiteiten en dynamieken van een specifieke groep in een
natuurlijke omgeving te onderzoeken.
Socioloog Irvin Janis heeft een casestudy uitgevoerd waarbij hij een
specifieke groep tot op het detail heeft onderzocht. Hij ontdekte dat
sommige leden niet tegen groepsdruk durven in te gaan, omdat de druk
,door het groepsdenken zo hoog ligt. Groepsdenken (groupthink) is een
set van negatieve groepsprocessen. Deze processen bevatten illusies van
kwetsbaarheid, zelfcensuur en druk om een conform besluit te nemen. Dit
is het resultaat van groepen met een hoge cohesie die meer op zoek zijn
naar een wedstrijd dan een objectieve analyse bij besluitvorming.
Bonafide groepen zijn groepen die natuurlijk zijn ontstaan en niet zijn
gecreëerd door een onderzoeker; nadeel is dat het niet representatief is.
Scapegoat is een individu van ene groep die verantwoordelijk wordt
gehouden voor een negatieve gebeurtenis of uitkomst.
Groepsdata zijn data op verschillende niveaus. Bij een micro-level zal je
eerder individuen gebruiken, terwijl je bij meso-niveau eerder groepen als
geheel gebruikt, dit allemaal heeft betrekking tot je analyse-level.
Als interdependancy aanwezig is, zijn groepsleden onderling afhankelijk
en kan er niet op individueel niveau getoetst worden, maar moet de groep
als geheel worden getoetst.
Motivatie zijn psychologische mechanismen, die een doel of richting aan
gedrag geven. Emoties zijn subjectieve staten van positieve of negatieve
affect die meestal gepaard gaan met een mate van arousal of activatie.
Motivatietheorieën wijzen uit dat groepen ene goede manier zijn voor
de mens om basisbehoeften te vervullen.
De hiërarchie van behoeften is een ordening van behoeften van de
meest basis- en biologische nodige- tot meer sociale- en psychologische
behoeften.
De sociale uitwisselingstheorie is een economisch model van
interpersoonlijke relaties dat aanneemt dat individuen relaties willen
aangaan die hun veel beloningen bieden en hun weinig kosten.
De systeemtheorie houdt in dat complexe fenomenen het resultaat zijn
van constante en dynamische aanpassingen die optreden tussen en
binnen de verschillende, interafhankelijke delen van het geheel.
Groepsleden zijn delen van het systeem en worden aan elkaar gekoppeld
door relaties. Groepen zijn open systemen die een dynamisch evenwicht
tussen leden in stand houden door verschillende gerelateerde
aanpassingen en processen.
Cognitieve processen zijn mentale processen die informatie
binnenkrijgen, organiseren en integreren. Deze processen bevatten
geheugen en psychologische mechanismen die informatie reguleren.
, Het self reference effect is de neiging die mensen hebben om betere
herinneringen te hebben over acties en gebeurtenissen war ze persoonlijk
bij betrokken zijn.
Het groep reference effect is de neiging om voor groepsleden om
betere herinneringen te hebben over acties of gebeurtenissen die
gerelateerd zijn aan de groep.
H3: insluiting en identiteit
De ‘need to belong’ zorgt voor interpersoonlijke relaties, maar ook voor
deelname aan grote, collectieve groepen. Sociaal kapitaal is de mate
waarin individuen, groepen of grotere bijeenkomsten van mensen zijn
gelinkt aan sociale relaties, die positieve en productieve voordelen
hebben. Het beschrijft hoe rijk je bent op basis van interpersoonlijke items.
Interpersoonlijke relaties kunnen als buffer dienen voor het tekortkomen
in liefde of echte vriendschap.
Eenzaamheid is een aversieve psychologische reactie op een gebrek aan
persoonlijke of sociale relaties. Je hebt sociale eenzaamheid en
emotionele eenzaamheid.
Het lid zijn van een sportclub kan sociale eenzaamheid reduceren en als
zich daar waardevolle relaties bevinden ook emotionele eenzaamheid.
Eenzaamheid kan worden verspreid binnen een groep.
Eenzaamheid hangt ook af van de mate van scheiding. Dit wil zeggen
hoe ver een persoon af staat van een persoon die eenzaam is.
Ostracisme is het verwijderen van een of meer individuen van ene groep
door het verminderen of verbreken van contact met de persoon of
negeren.
Williams (2007, 2009) heeft een temporal need-threat model van
ostracisme ontworpen waarbij de initiële response op ostracisme ontstaat
in het reflecstadium. De respons wordt geassocieerd met negatieve
gevoelens, pijn en distress. Dit leidt tot een signaal dat er iets mis is.
Vervolgens wordt er in het reflectiestadium een reflectie uitgevoerd
waarbij men kijkt naar waarom het negatieve gevoel wordt ervaren. Als er
geen acceptatie in de groep plaats vindt volgt het resignation stadium,
er treden gevoelens op van vervreemding en hopeloosheid.
Als men exclusie ervaren kan fight or flight ontstaan. Ook kan tend en
befriend response gebeuren. Hierbij zetten mensen zich in voor