Economie en de inleiding tot economie
Hoorcollege 1:
- Economische groei = productiviteitsgroei
Productiviteit groeit door:
1. Technologie en kennis
2. Automatisering
3. Schaalvoordelen
4. Ondernemerschap
- Fundamentele oorzaak van productiviteitsgroei zijn prikkels.
Traditioneel gedrag = rationeel en optimaliserend
Opofferingskosten = de (gemiste) nettowaarde van je tweede kosten,
Bijv. kosten van studeren, kosten van werken, etc.
Voor elke keuze die een individu maakt, geld:
- Waarde van de keuze; nut, welzijn, winst
- Expliciete kosten; wat kost het?
- Impliciete kosten; wat geef je op?
Expliciet + impliciet = economische kosten
Waarde > economische kosten = optimale keuze
Economische kosten – waarde = economic rents.
Voorbeeld:
Je hebt een gratis ticket voor Taylor Swift, je betalingsbereidheid is €60
Een ticket voor Ronnie Flex is €60, je betalingsbereidheid is €80. Verschil is
€20.
Economic rents = €40 en je gaat Taylor Swift bezoeken.
Gezonken kosten = kosten die niet volledig terugverdiend kunnen worden.
2 regels:
1. Als kosten niet teruggedraaid kunnen worden, mag je ze niet
meenemen in je huidige overweging
2. Als kosten wel/deels teruggedraaid kunnen worden, moet je de
kosten die teruggedraaid kunnen worden wel meenemen als
expliciete kosten in je huidige overweging.
Marginale opbrengst = wat is de opbrengst van één extra eenheid
Marginale kosten = wat zijn de kosten van één extra eenheid
Maximale winst = MO – MK
Overheden gebruiken een set van instrumenten om keuzes en gedrag te
beïnvloeden:
- Keuze van een individu hangt af van marginale opbrengsten en
kosten verander de marginale opbrengsten en/of kosten.
- Soms leidt dit tot onbedoelde gevolgen:
‘’Uiteindelijk bleek het plan van Mao nogal dom te zijn: door de
mussen nagenoeg uit te roeien waren de sprinkhanen hun
natuurlijke vijand kwijt en hadden vrij spel. Dit leidde tot
hongersnood in China.’’
,Hoorcollege 2:
Marginale analyse:
- Wat zijn de marginale opbrengsten? Wat levert 1 extra eenheid op?
- Wat zijn de marginale kosten? Wat zijn de kosten van 1 extra
eenheid?
Meest efficiënte punt, MO = MK
- Afweging tussen wat een consument wil bereiken (nut) en wat ze
daarvoor moeten opgeven (tijd & geld)
Nutmaximalisatie = het kiezen van de beste
combinatie
Optimale keuze hangt af van: preferences <> budget
constraint.
Trade-off = keuze tussen marginaal voordeel en
opofferingskosten.
Indifferentie curve = grafiek die verschillende
combinaties van goederen weergeven die een consument eenzelfde mate
van voldoening of nut opleveren.
Marginal rate of substitution (MRS) = hoeveel vrije tijd ben je bereid op te
geven voor een hoog cijfer? En vice versa.
Marginal rate of transformation (MRT) = hoeveel kan je opgeven? Hoeveel
stijgt je cijfer als je vrije tijd opgeeft? En vice
versa.
- Feasible frontier = laat alle combinaties
mogelijk zien die mogelijk zijn, gegeven de
middelen of beperkingen die je hebt.
- De helling van de indifferentiecurve is de
MRS: de trade-off die je bereid bent te
maken tussen vrije tijd en cijfer
- De helling van de feasible frontier is de
MRT: de trade-off die je gedwongen bent te
maken tussen vrije tijd en je cijfer.
Bedrijven zijn schakels tussen markten:
- Koopt inputs op markten, produceert eindproduct, verkoopt outputs
op markten
- Bedrijf = rationele beslisser en entiteit
- Enige doel is maximaliseren winst, y = f (L, K, M)
,Bedrijven met veel werknemers, kapitaal en technologie kunnen de vaste
kosten gemakkelijker delen: schaalvoordelen.
- Kostenvoordelen: alle ‘vaste’ kosten kunnen nu worden verdeeld
over een grotere omzet
- Vraagvoordelen: netwerkeffecten
Totale kosten = vaste kosten + variabele kosten
C(Q)= F + cQ, waarbij:
F = vaste kosten
c = variabele kosten
- Op lange termijn zijn marginale kosten constant (en gemiddelde
kosten dalend): op korte termijn niet, omdat het bedrijf niet de
hoeveelheid apparatuur & arbeid kan aanpassen aan de
geproduceerde hoeveelheid.
- De vraagcurve presenteert de ‘’willingness to pay’’
- ‘’willingness to pay’’ = (expected) marginal utility
Winst = opbrengsten – kosten
- Winst = P x Q – cQ
- Winst = Q (P – c) – F
Isoprofitcurve = combinatie van hoeveelheden (Q) en prijzen (P) met
dezelfde winst als uitkomst.
- Hoogste isoprofitcurve x ‘’hoogste’’vraagcurve = maximale winst
- De isoprofitcurve is vergelijkbaar met de indifferentiecurve
- De demandcurve is vergelijkbaar met de feasible frontier.
In een competitieve markt: prijs wordt bepaald door vraag en aanbod
Marktmacht: bedrijf bepaald prijzen en hoeveelheid
Hoorcollege 3:
De grootte van de economie wordt gemeten via BBP
- Optelsom van alle inkomens/ alle productie in een bepaalde periode
Productiviteitsgroei = productiviteit van activiteiten
Wordt verhoogd door specialisatie; in een groeiende economie is
niemand zelfvoorzienend.
Hoe meer handel op de markten hoe
meer specialisatie hoe hoger de
gemiddelde productiviteit hoe hoger
de welvaart.
Interne opportuniteitskosten:
Duitsland: 1 auto = ¼ fiets
Frankrijk: 1 auto = 3 fietsen
Mogelijke ‘’prijs’’: 1 auto = ¾ fiets
Comparatieve voordelen: het goed dat je relatief goedkoop kan
produceren.
, Hoe meer transacties, hoe meer specialisatie, hoe hoger de gemiddelde
productiviteit wereldwijde vrijhandel?
Consequenties vrijhandel:
- Handel leidt tot specialisatie
- Sectoren en actoren die ‘winnen’ & sectoren en actoren die
‘verliezen’
- Winnaars: iedereen betrokken bij sectoren waarin een land
comparatief voordeel heeft.
- Verliezers: iedereen betrokken bij sectoren waarin een land geen
comparatief voordeel heeft.
Handel: diensten, data, migratie, etc.
Conscious consumption: iets kopen om erbij te horen.
Hoorcollege 4:
Vraag = totaal aan ‘’willingness to pay’’
Individuele willingnes 2 pay = individuele marginale opbrengsten.
Elastische goederen = gevoelig voor prijsverandering.
Inelastische goederen = niet gevoelig voor prijsverandering.
Verandering in vraag kan komen door:
- Prijzen substitutie- en complementaire goederen
- Inkomen (normale en inferieure goederen)
- Voorkeuren
- Grootte van de bevolking
- Verwachting over de toekomstige prijzen
Complementaire goederen: goederen die elkaar aanvullen, substitutie goederen: vervangende goed
a voor goed b.
- Aanbod = willingness to accept (bij een bepaalde prijs)
- Individuele willingness to accept = individuele marginale kosten
Verschuiving van de aanbodcurve:
- Winstgevendheid alternatieve producten
- Technologie en productiviteit
- Hoeveelheid aanbieders
- Belastingen en subsidies
- Prijzen van productiemiddelen
- Verwachtingen over toekomstige prijzen
Stijging reële inkomens = meer vraag bij dezelfde prijs
Stijgende energiekosten = minder aanbod bij dezelfde prijs
Consumentensurplus = verschil betalingsbereidheid en marktprijs
Hoorcollege 1:
- Economische groei = productiviteitsgroei
Productiviteit groeit door:
1. Technologie en kennis
2. Automatisering
3. Schaalvoordelen
4. Ondernemerschap
- Fundamentele oorzaak van productiviteitsgroei zijn prikkels.
Traditioneel gedrag = rationeel en optimaliserend
Opofferingskosten = de (gemiste) nettowaarde van je tweede kosten,
Bijv. kosten van studeren, kosten van werken, etc.
Voor elke keuze die een individu maakt, geld:
- Waarde van de keuze; nut, welzijn, winst
- Expliciete kosten; wat kost het?
- Impliciete kosten; wat geef je op?
Expliciet + impliciet = economische kosten
Waarde > economische kosten = optimale keuze
Economische kosten – waarde = economic rents.
Voorbeeld:
Je hebt een gratis ticket voor Taylor Swift, je betalingsbereidheid is €60
Een ticket voor Ronnie Flex is €60, je betalingsbereidheid is €80. Verschil is
€20.
Economic rents = €40 en je gaat Taylor Swift bezoeken.
Gezonken kosten = kosten die niet volledig terugverdiend kunnen worden.
2 regels:
1. Als kosten niet teruggedraaid kunnen worden, mag je ze niet
meenemen in je huidige overweging
2. Als kosten wel/deels teruggedraaid kunnen worden, moet je de
kosten die teruggedraaid kunnen worden wel meenemen als
expliciete kosten in je huidige overweging.
Marginale opbrengst = wat is de opbrengst van één extra eenheid
Marginale kosten = wat zijn de kosten van één extra eenheid
Maximale winst = MO – MK
Overheden gebruiken een set van instrumenten om keuzes en gedrag te
beïnvloeden:
- Keuze van een individu hangt af van marginale opbrengsten en
kosten verander de marginale opbrengsten en/of kosten.
- Soms leidt dit tot onbedoelde gevolgen:
‘’Uiteindelijk bleek het plan van Mao nogal dom te zijn: door de
mussen nagenoeg uit te roeien waren de sprinkhanen hun
natuurlijke vijand kwijt en hadden vrij spel. Dit leidde tot
hongersnood in China.’’
,Hoorcollege 2:
Marginale analyse:
- Wat zijn de marginale opbrengsten? Wat levert 1 extra eenheid op?
- Wat zijn de marginale kosten? Wat zijn de kosten van 1 extra
eenheid?
Meest efficiënte punt, MO = MK
- Afweging tussen wat een consument wil bereiken (nut) en wat ze
daarvoor moeten opgeven (tijd & geld)
Nutmaximalisatie = het kiezen van de beste
combinatie
Optimale keuze hangt af van: preferences <> budget
constraint.
Trade-off = keuze tussen marginaal voordeel en
opofferingskosten.
Indifferentie curve = grafiek die verschillende
combinaties van goederen weergeven die een consument eenzelfde mate
van voldoening of nut opleveren.
Marginal rate of substitution (MRS) = hoeveel vrije tijd ben je bereid op te
geven voor een hoog cijfer? En vice versa.
Marginal rate of transformation (MRT) = hoeveel kan je opgeven? Hoeveel
stijgt je cijfer als je vrije tijd opgeeft? En vice
versa.
- Feasible frontier = laat alle combinaties
mogelijk zien die mogelijk zijn, gegeven de
middelen of beperkingen die je hebt.
- De helling van de indifferentiecurve is de
MRS: de trade-off die je bereid bent te
maken tussen vrije tijd en cijfer
- De helling van de feasible frontier is de
MRT: de trade-off die je gedwongen bent te
maken tussen vrije tijd en je cijfer.
Bedrijven zijn schakels tussen markten:
- Koopt inputs op markten, produceert eindproduct, verkoopt outputs
op markten
- Bedrijf = rationele beslisser en entiteit
- Enige doel is maximaliseren winst, y = f (L, K, M)
,Bedrijven met veel werknemers, kapitaal en technologie kunnen de vaste
kosten gemakkelijker delen: schaalvoordelen.
- Kostenvoordelen: alle ‘vaste’ kosten kunnen nu worden verdeeld
over een grotere omzet
- Vraagvoordelen: netwerkeffecten
Totale kosten = vaste kosten + variabele kosten
C(Q)= F + cQ, waarbij:
F = vaste kosten
c = variabele kosten
- Op lange termijn zijn marginale kosten constant (en gemiddelde
kosten dalend): op korte termijn niet, omdat het bedrijf niet de
hoeveelheid apparatuur & arbeid kan aanpassen aan de
geproduceerde hoeveelheid.
- De vraagcurve presenteert de ‘’willingness to pay’’
- ‘’willingness to pay’’ = (expected) marginal utility
Winst = opbrengsten – kosten
- Winst = P x Q – cQ
- Winst = Q (P – c) – F
Isoprofitcurve = combinatie van hoeveelheden (Q) en prijzen (P) met
dezelfde winst als uitkomst.
- Hoogste isoprofitcurve x ‘’hoogste’’vraagcurve = maximale winst
- De isoprofitcurve is vergelijkbaar met de indifferentiecurve
- De demandcurve is vergelijkbaar met de feasible frontier.
In een competitieve markt: prijs wordt bepaald door vraag en aanbod
Marktmacht: bedrijf bepaald prijzen en hoeveelheid
Hoorcollege 3:
De grootte van de economie wordt gemeten via BBP
- Optelsom van alle inkomens/ alle productie in een bepaalde periode
Productiviteitsgroei = productiviteit van activiteiten
Wordt verhoogd door specialisatie; in een groeiende economie is
niemand zelfvoorzienend.
Hoe meer handel op de markten hoe
meer specialisatie hoe hoger de
gemiddelde productiviteit hoe hoger
de welvaart.
Interne opportuniteitskosten:
Duitsland: 1 auto = ¼ fiets
Frankrijk: 1 auto = 3 fietsen
Mogelijke ‘’prijs’’: 1 auto = ¾ fiets
Comparatieve voordelen: het goed dat je relatief goedkoop kan
produceren.
, Hoe meer transacties, hoe meer specialisatie, hoe hoger de gemiddelde
productiviteit wereldwijde vrijhandel?
Consequenties vrijhandel:
- Handel leidt tot specialisatie
- Sectoren en actoren die ‘winnen’ & sectoren en actoren die
‘verliezen’
- Winnaars: iedereen betrokken bij sectoren waarin een land
comparatief voordeel heeft.
- Verliezers: iedereen betrokken bij sectoren waarin een land geen
comparatief voordeel heeft.
Handel: diensten, data, migratie, etc.
Conscious consumption: iets kopen om erbij te horen.
Hoorcollege 4:
Vraag = totaal aan ‘’willingness to pay’’
Individuele willingnes 2 pay = individuele marginale opbrengsten.
Elastische goederen = gevoelig voor prijsverandering.
Inelastische goederen = niet gevoelig voor prijsverandering.
Verandering in vraag kan komen door:
- Prijzen substitutie- en complementaire goederen
- Inkomen (normale en inferieure goederen)
- Voorkeuren
- Grootte van de bevolking
- Verwachting over de toekomstige prijzen
Complementaire goederen: goederen die elkaar aanvullen, substitutie goederen: vervangende goed
a voor goed b.
- Aanbod = willingness to accept (bij een bepaalde prijs)
- Individuele willingness to accept = individuele marginale kosten
Verschuiving van de aanbodcurve:
- Winstgevendheid alternatieve producten
- Technologie en productiviteit
- Hoeveelheid aanbieders
- Belastingen en subsidies
- Prijzen van productiemiddelen
- Verwachtingen over toekomstige prijzen
Stijging reële inkomens = meer vraag bij dezelfde prijs
Stijgende energiekosten = minder aanbod bij dezelfde prijs
Consumentensurplus = verschil betalingsbereidheid en marktprijs