De beoordeling van een fysieke of psychologische dreiging waartegen men denkt geen
verdediging te hebben en waarin fysieke, cognitieve en gedragsmatige componenten te
onderscheiden zijn.
Diagnostiek:
- Screening met vragenlijsten als SCARED/SCAS
- Semigestructureerd interview
- DSM-5 criteria-checklist
Symptomen:
- Lichamelijk: buikpijn, hartkloppingen, hoofdpijn, duizelig, sensatie in handen of voeten,
misselijk, kort ademig, rillingen.
- Cognitief: catastroferende gedachten of afbeeldingen (“ik ga dood, gewond raken,
gevaar, losing your mind”)
- Gedrag: vermijden, vecht/vlucht/bevries reactie, bescherming zoeken bij ouder, huilen,
niet praten, ogen sluiten, woedeaanval, nagel bijten.
Risicofactoren:
- Genetisch: ouders met angststoornis (5–7x meer kans)
- Temperament: gedragsinhibitie (stil, twijfelend)
- Conditionering, modelling, negatieve informatie
- Ouderlijke controle, weinig autonomie, afwijzing, kritiek
Beschermende factoren:
- Veilige hechtingsfiguren, verbeterde emotieregulatie
- Sociale ondersteuning
- Positieve opvoedstijlen
Behandeling:
• Cognitieve gedragstherapie (exposure-based), met ouderbetrokkenheid bij jonge
kinderen
• 56–75% angstvrij na behandeling; het effect is sterker bij actieve ouderrol
• Bij selectief mutisme: combinatie van CGT en spraak-taalbegeleiding
• Familiebetrokkenheid, psycho-educatie
DSM-5 criteria:
• Social Anxiety Disorder: Duidelijke angst voor situaties waarin iemand door anderen
wordt beoordeeld. Kinderen zijn vaak bang voor interacties, presentaties, kritiek. Bij
kinderen hoeft de angst niet overdreven of onrealistisch te zijn, bij volwassenen wel.
• Separation Anxiety Disorder: Extreme zorgen of angst om gescheiden te worden van
hechtingsfiguur, vaak niet passend bij ontwikkelingsfase. Komt tot uiting in
nachtmerries, fysieke klachten, woedeaanvallen bij scheiding.
• Gegeneraliseerde Angststoornis: Overmatige zorgen over uiteenlopende
onderwerpen, moeilijk onder controle te houden. Kinderen voldoen aan minimaal 1
symptoom (spierspanning, slaapproblemen enz.), volwassenen minimaal 3.
• Specifieke Fobie: Duidelijke, aanhoudende angst voor specifiek object/situatie (dieren,
natuur, situaties, bloed/injectie, enz.). Angst hoeft bij kinderen niet als
overdreven/unrealistisch erkend te worden.
• Panic Disorder: Herhaald onverwachte paniekaanvallen met somatische symptomen
(hartkloppingen, trillen, zweten, duizeligheid, ademnood), gevolgd door
1
, aanhoudende bezorgdheid over aanvallen en gedragsverandering, negatieve
gevolgen.
• Agorafobie: Angst voor plekken waar ontsnappen lastig is of hulp niet snel
beschikbaar; vermijding van deze situaties.
• Selectief Mutisme: Onvermogen te spreken in specifieke sociale situaties. Wel kunnen
spreken in andere specifieke situaties (vertrouwd/veilig). Minstens 1 maand (niet in
eerste schoolmaand). Niet te wijten aan spraak- of taalstoornis. Verstoort schoolse of
sociale functioneren. 90% heeft klachten van sociale angst of een sociale
angststoornis. Komt vaak voor wanneer ouders een andere taal spreken
Leeftijd van optreden:
• Selectief mutisme: 3–5 jaar
• Separatieangst: gemiddeld 6 maanden – 4 jaar
• Specifieke fobie: meestal voor 10 jaar
• Sociale angststoornis: ca. 14 jaar
• Paniekstoornis, agorafobie, GAD: vooral adolescentie/jongvolwassenen
Depressie
Minstens vijf van de volgende symptomen zijn bijna elke dag aanwezig geweest gedurende
minstens twee weken, wat afwijkt van het eerdere functioneren. Eén van de symptomen moet
sombere stemming of verlies van interesse/plezier zijn.
Symptomen zijn onder andere:
• Sombere of prikkelbare stemming (bij kinderen)
• Verlies van interesse of plezier
• Gewichtsverandering of eetlustverandering
• Slaapproblemen (te veel of te weinig)
• Psychomotorische agitatie of vertraging
• Vermoeidheid of energieverlies
• Gevoelens van waardeloosheid of schuld
• Concentratieproblemen of besluiteloosheid
• Gedachten aan de dood of suïcide
o Symptomen veroorzaken duidelijke problemen in sociale, werk- of andere
belangrijke levensgebieden.
o Symptomen zijn niet het gevolg van medicatie, middelengebruik of een
somatische aandoening.
Diagnostiek:
- Zelfrapportage (moodschaal, mood induction)
- DSM-5 criteria: stemmingsstoornis met minimumduur (2 weken voor MDD, 1 jaar voor
dysthymie)
Symptomen:
- Affectief: sombere/irritabele stemming, verlies van plezier
- Fysiek: eet-, slaapstoornissen, vermoeidheid
- Cognitief: schuldgevoel, waardeloosheid, concentratieproblemen
- Gedrag: teruggetrokken, traag/onrustig, suïcidale gedachten
Risicofactoren:
2
, - Genetische aanleg
- Negatieve cognities, ervaringen, stress
- Gezinsproblemen, schoolproblemen
- Puberteit, veranderingen in hormonen en breinontwikkeling
Beschermende factoren:
- Positieve sociale relaties, sterke coping vaardigheden
- Steun van ouders en peers
- Mentale veerkracht
Effectieve behandeling:
• CGT (vanaf 8 jaar: psycho-educatie/CGT; vanaf 13 ook IPT mogelijk)
• Activatietherapie: focus op dagstructuur en plezierige activiteiten
• Medicatie (SSRI: fluoxetine) alleen bij ernstige depressie en altijd in combinatie met
therapie
• Familiebetrokkenheid bij jonge kinderen.
• Gedragsinterventies (emotieregulatie)
DSM-5 criteria:
• Major Depressive Disorder: Minstens 2 weken, grootste deel van de dag/weken
depressieve of geïrriteerde stemming + verlies van interesse/plezier. Daarnaast
minimaal 5 symptomen uit verschillende domeinen:
• Fysiek: eet-/slaapstoornissen, vermoeidheid, problemen met gewicht
• Cognitief: schuldgevoel, waardeloosheid, concentratieproblemen, suïcide
gedachten, problemen met keuzes maken
• Gedrag: teruggetrokkenheid, traagheid, agitatie, restless
• Persistent Depressive Disorder (Dysthymie): Vergelijkbaar met MDD, maar minimaal 1
jaar bij kinderen (2 jaar bij volwassenen)
• Fysiek: eet-/slaapstoornissen, vermoeidheid, problemen met gewicht
• Cognitief: schuldgevoel, waardeloosheid, concentratieproblemen, suïcide
gedachten, problemen met keuzes maken
• Gedrag: teruggetrokkenheid, traagheid, agitatie, restless
• Disruptive Mood Dysregulation Disorder: Ernstige, terugkerende woedeaanvallen
(>3/week), minimaal 1 jaar, ongepast bij ontwikkelingsniveau. Leeftijd diagnostiek: 6-
18, onset <10 jaar.
Leeftijd van optreden:
• Kan voorkomen vanaf jonge leeftijd (zelfs als baby: eet/slaapproblemen, vertraging
ontwikkeling)
• Kinderen (4–12 jaar): vaak lichamelijke en gedragsproblemen
• Meest acute stijging in adolescentie: onset gemiddeld rond 14 jaar, piek tussen 14 en
18 jaar voor eerste episode
3